BLOG

De kerk is leuk!

Een van de dingen die ik in mijn manuscript heb aangepast, is het idee dat Rwandese jongeren hebben over de kerk. Tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda heb ik bij zowel meisjes als jongens navraag gedaan. Allemaal vonden ze de kerk leuk.

Niet iedereen was enthousiast om dezelfde reden. ‘Om het dansen,’ zei de een, ‘om de muziek,’ zei een tweede. En weer een ander zei: ‘omdat ze mensen helpen en samen bidden.’

Bij de kerstnachtmis en nieuwjaarsmis heb ik het live gezien: jongeren die actief meedoen in de katholieke dienst. Jonge meisjes dansten met sierlijke bewegingen in witte jurkjes. Na afloop deinden groepen jongeren mee met het koor.

Behalve deze intermezzo’s vond ik zelf de kerk nogal saai. De eindeloze preken kon ik niet verstaan, het Lichaam van Jezus mocht ik niet ontvangen,[1] en in het koor waren de vrouwen zo dominant dat er van meerstemmigheid – waar ik gek op ben – geen sprake was.

Tot ik bij de Zevendedagadventisten kwam. Dat was op het eiland waar de oorlog nooit is gekomen[2]. Het jongerenkoor dat ons verwelkomde, raakte bij mij een diepe snaar. Hun meerstemmige liederen klonken als de zwarte muziek uit Zuid-Afrika. Vooral de lage mannenstemmen vond ik prachtig.

En deze dienst was allesbehalve saai. Verschillende sprekers wisselden elkaar af. De kerkgangers deden actief mee. Een van hen corrigeerde zelfs de voorganger, die dat zonder probleem accepteerde. Een paar keer richtte een spreker zich in zijn beste Engels tot ons.[3]

Wij op onze beurt mochten over onszelf vertellen. Even later werd een liedboek in onze handen gedrukt en zongen we zo goed mogelijk mee. Tussen de bedrijven door barstte het jongerenkoor uit in swingende, meerstemmige songs. Als afsluiting kwam een oude vrouw voor ons bidden. Van het Kinyarwanda verstond ik weinig, maar haar toon zei me genoeg. We hoorden erbij.

Misschien is dat wat Rwandese jongeren in de kerk aanspreekt. Ik ben in elk geval om. De kerk is leuk! Als ik nog eens naar Rwanda ga, is mijn eerste zaterdag voor de Zevendedagadventisten.

[1] Omdat ik niet ben gedoopt.
[2] Zie blog Het eiland waar de oorlog nooit kwam.
[3] De tweede keer dat ik op dit eiland kwam, had ik een vriendin uit Nederland meegenomen.

Vriendschap tussen zwart en wit

Als je voor het eerst naar Sub Sahara Afrika gaat,[1] kan het als een schok komen: je bent een blanke. ‘Muzungu, muzungu!’ roepen de kinderen in Rwanda. Je steekt scherp af tegen de zee van donkere mensen om je heen. Of je het wilt of niet: je wordt beoordeeld op je bleke huid.

Hoe er naar je gekeken wordt, hangt af van de rol die de blanken vóór jou hebben gespeeld. In het geval van Rwanda: kolonisator, missionaris, ontwikkelingswerker, militair, toerist. Op z’n minst discutabel, als je naar bepaalde van deze groepen kijkt.

Misschien is de lijst nog langer, maar de categorie vriend(in) komt er niet in voor. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de meeste Rwandezen mijn relatie tot Aimée niet goed konden plaatsen.

‘Wat eet een muzungu?’ fluisterden Aimées collega’s toen ik haar werk bezocht. ‘Kan je vriendin ons voedsel wel verteren?’ En toen ik een foto van mijn neefje en nichtje aan hun Nederlandse ontbijttafel liet zien: ‘Wat eten die wazungu-kinderen[2] daar?’

Pijnlijk werd het, toen een paar collega’s Aimée apart nam. ‘Waar is die vriendschap met een muzungu op gebaseerd?’ vroegen ze. Zowel Aimée als ik hoorden de onuitgesproken aanname: daar steekt iets achter.

Op dit punt zouden Rwandezen iets opsteken van hun buurland Oeganda. Toen ik daar met Aimée op een terrasje zat, werden we benaderd door een jonge man. Hij drukte ons een folder in de hand. Of we de volgende avond vrij waren, wilde hij weten.

‘Dan zijn we alweer in Rwanda,’ antwoordde ik, denkend dat ik daarmee een reclameactie had afgewimpeld.

‘Jammer,’ zei de man. ‘Dit is echt iets voor jullie.’

Ik wierp een blik op de folder. Party Black & White, stond erop. Kijk, dat vind ik nou een positieve benadering. De vriendschap tussen zwart en wit als reden voor een feest.

[1] Als autochtone, blanke westerling.
[2] Wazungu betekent in het Rwandees ‘blanken’ (meervoud).

Discipline versus keuzestress

In hoeverre lijken Rwandese jongeren op westerse jongeren? Die vraag kwam op bij de ontwikkeling van mijn roman. Ik zocht verbanden, zodat Nederlandse lezers zich zouden kunnen verplaatsen in mijn Rwandese hoofdpersoon.

Basisemoties zijn overal hetzelfde. Verliefdheid, vriendschap, jaloezie, het verlangen om erbij te horen. Maar de setting verschilt. Waar Nederlandse jongeren veel keuzevrijheid hebben, zijn Rwandese jongeren onderworpen aan een ijzeren discipline.

Zo gaan veel jongeren in Rwanda naar een internaat. Die is van de overheid of particulier. Op de eerste kom je met hoge punten,[1] voor de tweede moet je flink betalen. Daarbinnen is nog onderscheid tussen openbaar en religieus. Religieuze internaten worden geleid door broeders (voor jongens) of zusters (voor meisjes).

Op een internaat is alles bien discipliné. Dat heb ik diverse Rwandese ouders horen zeggen. En inderdaad; er heerst een militaire discipline. Op het openbare overheidsinternaat van Giselle gaat een doordeweekse dag als volgt:

5.00 uur: douche; slaapzaal wordt afgesloten. 5.30 uur: ontbijt van maïspap. 6.00 uur: presentatie leerlingen op het plein. 6.30 uur: klas schoonmaken. 8.00 uur: studeren. 10.30 uur: pauze. 11.00 uur: studeren. 12.30 uur: lunch. 13.45 uur: relaxen. 14.00 uur: studeren. 16.00 uur: vrij tijd; slaapzaal gaat open. 18.00 uur: lesstof herhalen. 19.30 uur: avondeten. Daarna: bedtijd.

Giselle vindt het vroege opstaan lastig en het eten uit de gaarkeuken niet lekker. Daarbij heeft ze er moeite mee dat de overheid – op basis van je cijferlijst – jouw specialisatie kiest. ‘Alles wordt voor je bepaald,’ fluistert het zeventienjarige meisje. ‘Soms lijkt het net een gevangenis.’

Of het op de middelbare school bij ons ook zo is, informeert ze bedeesd. Als ik haar over Nederland vertel, spert ze haar ogen open. ‘Echt waar? Krijgen die kinderen dan geen problemen?’

‘Soms wel’, antwoord ik eerlijk. ‘Veel keuzevrijheid kan ook verwarrend zijn.’ Giselle knikt alsof ze zich er iets bij kan voorstellen.

Dat een Rwandees meisje zich in een Nederlandse leeftijdgenoot kan verplaatsen, is hoopgevend. Dan moet het omgekeerde ook mogelijk zijn.

[1] Een hoge score op het eindexamen van je lagere school.

Reizen in een strip

‘Hé, daar heb ik vroeger veel van de wereld van opgestoken!’ Mijn buurman, die met zijn zoontje op de gang een Suske en Wiske zit te lezen, kijkt me glazig aan.

‘Echt? Dat zijn toch allemaal fantasieverhalen?’ Aarzelend schud ik mijn hoofd. In mijn herinnering gaan Suske en Wiske naar allerlei landen. ‘Wacht,’ zeg ik, ‘op de kast heb ik er nog een paar liggen.’

Met een stapeltje oude strips loop ik terug naar buurman Matthijs. En verdraaid: van de negen Suske en Wiske’s uit mijn nostalgische collectie, spelen zich zes af in verre landen.

In Turkije (Jeromba de Griek), Tibet (De Brullende Berg), de Afrikaanse kolonie “Dongo” (De Vliegende Aap), Libanon (Sjeik El Rojenbiet), Filippijnen en Hong Kong (De Sissende Sampan) en Nepal (De Parel in de Lotusbloem).

Matthijs is overtuigd. ‘Willen jullie ze lezen?’ vraag ik als ik de ogen van zijn zoontje Julian zie glimmen. Dat hoef ik geen twee keer te vragen. De strips wisselen tijdelijk van huis.

‘Misschien gaat Julian later ook reizen,’ zegt mijn buurman als hij ze een maand later terug brengt. Aangespoord door deze opmerking, blader ik de strips nog eens door.

In de Afrikaanse kolonie “Dongo”,[1] worden de hoofdpersonen in een ketel boven het vuur gekookt door pikzwarte mensen met reusachtige lippen. Ze dansen om de kookpot en zwaaien met speren, messen en knotsen. Dit kan nu echt niet meer; strip nummer 87 moet lang geleden zijn gemaakt.

Strip nummer 214, De Parel in de Lotusbloem, lijkt de toets des tijds beter te kunnen doorstaan. Op het voorblad staat een citaat van Kalu Rinpoche[2], en in het verhaal speelt de Dalai Lama een rol.

Als kind keek ik niet met zulke ogen. De strips prikkelden alleen mijn nieuwsgierigheid naar de wereld. Het is vast niet voor niks dat ik uit de honderden Suske en Wiske’s voornamelijk die uit verre landen heb bewaard.

Wat mijn buurjongen zal kiezen, weet ik niet. Een beetje nieuwsgierig ben ik wel. Zal hij over pakweg vijfendertig jaar ook zijn selectie Suske en Wiske’s herontdekken? En welk patroon zal hij dan zien?

[1] Duidelijk geïnspireerd op de Belgische kolonie Congo.
[2] Kalu Rinpoche (1905- 1989) was een Boeddhistische lama, meditatiemeester en onderwijzer. Hij was een van de eerste Tibetaanse leraren die les gaf in het Westen.

Het eiland waar de oorlog nooit kwam

‘Ga je mee naar een eiland?’ vroeg Aimée toen ik net een weekje in Rwanda was. Haar werkbezoek aan de lokale gemeenschap was al een tijd daarvoor ingepland. Ik rook het avontuur en zei ‘ja.’

De oversteek was romantisch. Een houten bootje, zwemvesten, een zwoele bries en een prachtig uitzicht over het meer.

Op het eiland werden we opgevangen door een handvol bewoners. Een steile klim in de brandende zon bracht ons naar een gemeenschapshuis. Terwijl Aimée voorlichting gaf aan de vrouwen en kinderen, nam ik de omgeving goed in me op.

Veel groen en rotsen. Aan beide kanten van het gemeenschapshuis glinsterde het water in de diepte. Ruim driehonderdvijftig mensen leefden hier, had Aimée me verteld. Eén lagere school, één kerk.

Maar het was niet de idyllische schoonheid die me trof. Er hing iets ongrijpbaars in de lucht. Iets aangenaams, dat me een prettig gevoel bezorgde.

‘Hoe was het hier eigenlijk tijdens de oorlog?’ dacht ik hardop toen we een rondleiding over het eiland kregen. ‘Hé,’ antwoordde Aimée verrast. ‘Dat vroeg ik me ook af toen ik hier voor de eerste keer kwam.’

Wat bleek? De oorlog was nooit op dit eiland aangekomen. Er woonden alleen mensen van één groep, dus was er geen conflict. Noch de Hutu-extremisten, noch de Tutsi-rebellen hadden tijdens de genocide de oversteek gemaakt.

Juist door het gebrek aan onderhuidse spanning, ontdekte ik dat ik die op het vasteland wel had gevoeld. Bij het gemeenschapshuis voelde ik me zo op mijn gemak, dat ik naast een vrouw in het gras neerplofte. Terwijl ik haar hielp met boontjes doppen, werd ik ondervraagd door nieuwsgierige vrouwen en giechelende kinderen.

‘Je moet wel veel van ons houden,’ zeiden de eilandbewoners tegen Aimée, ‘want je hebt een muzungu[1] voor ons meegebracht!’ Ze waren bijzonder verguld met de blanke die – zo bleek uit de boontjes – speciaal voor hen was gekomen.[2]

Een kleine delegatie begeleidde ons aan het einde van de middag naar de boot. De vrouwen omhelsden ons, de mannen gaven een stevige hand. Ze zwaaiden toen we koers zetten naar de overkant.

Halverwege het meer keek ik nog een keer om. Onze uitzwaaiers stonden er nog steeds, stil starend in de verte. Met een brok in mijn keel keek ik ze na. Zo had het overal in Rwanda kunnen zijn, als de oorlog nooit was gekomen.

[1] Muzungu is het Rwandese woord voor ‘blanke’.
[2] Incidenteel kwamen er toeristen om het eiland te bewonderen, maar die zochten bijna nooit contact met de bewoners.

Uitgever gevonden!

Ik heb een uitgever gevonden. En niet de minste: Lemniscaat. Vorige week hebben we het contract van De Boom met de Bittere Bladeren getekend.

Lemniscaat was mijn eerste keuze. Ik heb sterk het gevoel dat dit verhaal bij deze uitgever past. Daarom ben ik meer dan blij dat juist zij mijn verhaal willen publiceren.

Over een tijdje kan ik De Boom met de Bittere Bladeren dus met jullie delen. Ik laat het weten als het zover is.

Grenscontrole

Het Rwandese stadje Gisenyi grenst aan de Democratische Republiek Congo. De grootste grensovergang daar – vreemd genoeg Kleine Grens genoemd – speelt een rol in mijn verhaal. Tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda ging ik op expeditie. Even checken of ik het goed had gezien.

De Kleine Grens stond in mijn geheugen gegrift. Ooit was ik hier met Aimée een groep dansende, joelende Congolese dames gevolgd. Hoe kan het dat ik de handelaars was vergeten? De levende kippen, maniokbladeren, wortelen, kool en eieren? Hele ladingen zijn het, op fietsen, op ruggen en hoofden. Het lijkt wel een exodus, en wij worden erin meegezogen.

‘Goma is onveilig,’ zegt Aimée wanneer we een goed heenkomen hebben gezocht. ‘De Congolezen durven niet naar hun akkers te gaan.’ Dat verklaart waarom ze zoveel basisvoedsel uit het piepkleine buurland importeren. Omgekeerd blijken Congolese stoffen, schoenen en bakbananen het in Rwanda goed te toen. Mondjesmaat toegelaten, dat wel.

Onze Congolese vriend grapt erover wanneer hij ons in Rwanda opzoekt. ‘Als ik een paar schoenen bij jullie wil verkopen, trek ik ze voor de grensovergang aan. Dan loop ik op mijn oude slippers terug naar Congo.’ De bakbananen waar ik om had gevraagd, hebben de grenscontrole gelukkig wel doorstaan. Dat detail hoef ik in mijn verhaal niet aan te passen.

Die bananen hebben trouwens nog wel een staartje. Nadat het merendeel met oudjaar in onze maaltijd is gegaan, maak ik me op nieuwjaarsdag op voor onze volgende reis. Maar Aimée wil per sé voor vertrek het restant opbakken. ‘Waarom?’ vraag ik, bang voor het zoveelste oponthoud.

‘Misschien bederven ze,’ zegt ze. Dat vind ik geen argument. We kunnen ze toch aan de thuisblijvers geven? Als ik dat opwerp, komt de aap uit de mouw. De bakbananen zijn een gift aan ons. Om onze Congolese vriend te eren, moeten we persoonlijk zijn bakbananen opeten.

Als je het zo bekijkt, is het logisch. Maar ik was er persoonlijk niet opgekomen.