BLOG

Vriendschap tussen zwart en wit

Als je voor het eerst naar Sub Sahara Afrika gaat,[1] kan het als een schok komen: je bent een blanke. ‘Muzungu, muzungu!’ roepen de kinderen in Rwanda. Je steekt scherp af tegen de zee van donkere mensen om je heen. Of je het wilt of niet: je wordt beoordeeld op je bleke huid.

Hoe er naar je gekeken wordt, hangt af van de rol die de blanken vóór jou hebben gespeeld. In het geval van Rwanda: kolonisator, missionaris, ontwikkelingswerker, militair, toerist. Op z’n minst discutabel, als je naar bepaalde van deze groepen kijkt.

Misschien is de lijst nog langer, maar de categorie vriend(in) komt er niet in voor. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de meeste Rwandezen mijn relatie tot Aimée niet goed konden plaatsen.

‘Wat eet een muzungu?’ fluisterden Aimées collega’s toen ik haar werk bezocht. ‘Kan je vriendin ons voedsel wel verteren?’ En toen ik een foto van mijn neefje en nichtje aan hun Nederlandse ontbijttafel liet zien: ‘Wat eten die wazungu-kinderen[2] daar?’

Pijnlijk werd het, toen een paar collega’s Aimée apart nam. ‘Waar is die vriendschap met een muzungu op gebaseerd?’ vroegen ze. Zowel Aimée als ik hoorden de onuitgesproken aanname: daar steekt iets achter.

Op dit punt zouden Rwandezen iets opsteken van hun buurland Oeganda. Toen ik daar met Aimée op een terrasje zat, werden we benaderd door een jonge man. Hij drukte ons een folder in de hand. Of we de volgende avond vrij waren, wilde hij weten.

‘Dan zijn we alweer in Rwanda,’ antwoordde ik, denkend dat ik daarmee een reclameactie had afgewimpeld.

‘Jammer,’ zei de man. ‘Dit is echt iets voor jullie.’

Ik wierp een blik op de folder. Party Black & White, stond erop. Kijk, dat vind ik nou een positieve benadering. De vriendschap tussen zwart en wit als reden voor een feest.

[1] Als autochtone, blanke westerling.
[2] Wazungu betekent in het Rwandees ‘blanken’ (meervoud).

Discipline versus keuzestress

In hoeverre lijken Rwandese jongeren op westerse jongeren? Die vraag kwam op bij de ontwikkeling van mijn roman. Ik zocht verbanden, zodat Nederlandse lezers zich zouden kunnen verplaatsen in mijn Rwandese hoofdpersoon.

Basisemoties zijn overal hetzelfde. Verliefdheid, vriendschap, jaloezie, het verlangen om erbij te horen. Maar de setting verschilt. Waar Nederlandse jongeren veel keuzevrijheid hebben, zijn Rwandese jongeren onderworpen aan een ijzeren discipline.

Zo gaan veel jongeren in Rwanda naar een internaat. Die is van de overheid of particulier. Op de eerste kom je met hoge punten,[1] voor de tweede moet je flink betalen. Daarbinnen is nog onderscheid tussen openbaar en religieus. Religieuze internaten worden geleid door broeders (voor jongens) of zusters (voor meisjes).

Op een internaat is alles bien discipliné. Dat heb ik diverse Rwandese ouders horen zeggen. En inderdaad; er heerst een militaire discipline. Op het openbare overheidsinternaat van Giselle gaat een doordeweekse dag als volgt:

5.00 uur: douche; slaapzaal wordt afgesloten. 5.30 uur: ontbijt van maïspap. 6.00 uur: presentatie leerlingen op het plein. 6.30 uur: klas schoonmaken. 8.00 uur: studeren. 10.30 uur: pauze. 11.00 uur: studeren. 12.30 uur: lunch. 13.45 uur: relaxen. 14.00 uur: studeren. 16.00 uur: vrij tijd; slaapzaal gaat open. 18.00 uur: lesstof herhalen. 19.30 uur: avondeten. Daarna: bedtijd.

Giselle vindt het vroege opstaan lastig en het eten uit de gaarkeuken niet lekker. Daarbij heeft ze er moeite mee dat de overheid – op basis van je cijferlijst – jouw specialisatie kiest. ‘Alles wordt voor je bepaald,’ fluistert het zeventienjarige meisje. ‘Soms lijkt het net een gevangenis.’

Of het op de middelbare school bij ons ook zo is, informeert ze bedeesd. Als ik haar over Nederland vertel, spert ze haar ogen open. ‘Echt waar? Krijgen die kinderen dan geen problemen?’

‘Soms wel’, antwoord ik eerlijk. ‘Veel keuzevrijheid kan ook verwarrend zijn.’ Giselle knikt alsof ze zich er iets bij kan voorstellen.

Dat een Rwandees meisje zich in een Nederlandse leeftijdgenoot kan verplaatsen, is hoopgevend. Dan moet het omgekeerde ook mogelijk zijn.

[1] Een hoge score op het eindexamen van je lagere school.

Reizen in een strip

‘Hé, daar heb ik vroeger veel van de wereld van opgestoken!’ Mijn buurman, die met zijn zoontje op de gang een Suske en Wiske zit te lezen, kijkt me glazig aan.

‘Echt? Dat zijn toch allemaal fantasieverhalen?’ Aarzelend schud ik mijn hoofd. In mijn herinnering gaan Suske en Wiske naar allerlei landen. ‘Wacht,’ zeg ik, ‘op de kast heb ik er nog een paar liggen.’

Met een stapeltje oude strips loop ik terug naar buurman Matthijs. En verdraaid: van de negen Suske en Wiske’s uit mijn nostalgische collectie, spelen zich zes af in verre landen.

In Turkije (Jeromba de Griek), Tibet (De Brullende Berg), de Afrikaanse kolonie “Dongo” (De Vliegende Aap), Libanon (Sjeik El Rojenbiet), Filippijnen en Hong Kong (De Sissende Sampan) en Nepal (De Parel in de Lotusbloem).

Matthijs is overtuigd. ‘Willen jullie ze lezen?’ vraag ik als ik de ogen van zijn zoontje Julian zie glimmen. Dat hoef ik geen twee keer te vragen. De strips wisselen tijdelijk van huis.

‘Misschien gaat Julian later ook reizen,’ zegt mijn buurman als hij ze een maand later terug brengt. Aangespoord door deze opmerking, blader ik de strips nog eens door.

In de Afrikaanse kolonie “Dongo”,[1] worden de hoofdpersonen in een ketel boven het vuur gekookt door pikzwarte mensen met reusachtige lippen. Ze dansen om de kookpot en zwaaien met speren, messen en knotsen. Dit kan nu echt niet meer; strip nummer 87 moet lang geleden zijn gemaakt.

Strip nummer 214, De Parel in de Lotusbloem, lijkt de toets des tijds beter te kunnen doorstaan. Op het voorblad staat een citaat van Kalu Rinpoche[2], en in het verhaal speelt de Dalai Lama een rol.

Als kind keek ik niet met zulke ogen. De strips prikkelden alleen mijn nieuwsgierigheid naar de wereld. Het is vast niet voor niks dat ik uit de honderden Suske en Wiske’s voornamelijk die uit verre landen heb bewaard.

Wat mijn buurjongen zal kiezen, weet ik niet. Een beetje nieuwsgierig ben ik wel. Zal hij over pakweg vijfendertig jaar ook zijn selectie Suske en Wiske’s herontdekken? En welk patroon zal hij dan zien?

[1] Duidelijk geïnspireerd op de Belgische kolonie Congo.
[2] Kalu Rinpoche (1905- 1989) was een Boeddhistische lama, meditatiemeester en onderwijzer. Hij was een van de eerste Tibetaanse leraren die les gaf in het Westen.

Het eiland waar de oorlog nooit kwam

‘Ga je mee naar een eiland?’ vroeg Aimée toen ik net een weekje in Rwanda was. Haar werkbezoek aan de lokale gemeenschap was al een tijd daarvoor ingepland. Ik rook het avontuur en zei ‘ja.’

De oversteek was romantisch. Een houten bootje, zwemvesten, een zwoele bries en een prachtig uitzicht over het meer.

Op het eiland werden we opgevangen door een handvol bewoners. Een steile klim in de brandende zon bracht ons naar een gemeenschapshuis. Terwijl Aimée voorlichting gaf aan de vrouwen en kinderen, nam ik de omgeving goed in me op.

Veel groen en rotsen. Aan beide kanten van het gemeenschapshuis glinsterde het water in de diepte. Ruim driehonderdvijftig mensen leefden hier, had Aimée me verteld. Eén lagere school, één kerk.

Maar het was niet de idyllische schoonheid die me trof. Er hing iets ongrijpbaars in de lucht. Iets aangenaams, dat me een prettig gevoel bezorgde.

‘Hoe was het hier eigenlijk tijdens de oorlog?’ dacht ik hardop toen we een rondleiding over het eiland kregen. ‘Hé,’ antwoordde Aimée verrast. ‘Dat vroeg ik me ook af toen ik hier voor de eerste keer kwam.’

Wat bleek? De oorlog was nooit op dit eiland aangekomen. Er woonden alleen mensen van één groep, dus was er geen conflict. Noch de Hutu-extremisten, noch de Tutsi-rebellen hadden tijdens de genocide de oversteek gemaakt.

Juist door het gebrek aan onderhuidse spanning, ontdekte ik dat ik die op het vasteland wel had gevoeld. Bij het gemeenschapshuis voelde ik me zo op mijn gemak, dat ik naast een vrouw in het gras neerplofte. Terwijl ik haar hielp met boontjes doppen, werd ik ondervraagd door nieuwsgierige vrouwen en giechelende kinderen.

‘Je moet wel veel van ons houden,’ zeiden de eilandbewoners tegen Aimée, ‘want je hebt een muzungu[1] voor ons meegebracht!’ Ze waren bijzonder verguld met de blanke die – zo bleek uit de boontjes – speciaal voor hen was gekomen.[2]

Een kleine delegatie begeleidde ons aan het einde van de middag naar de boot. De vrouwen omhelsden ons, de mannen gaven een stevige hand. Ze zwaaiden toen we koers zetten naar de overkant.

Halverwege het meer keek ik nog een keer om. Onze uitzwaaiers stonden er nog steeds, stil starend in de verte. Met een brok in mijn keel keek ik ze na. Zo had het overal in Rwanda kunnen zijn, als de oorlog nooit was gekomen.

[1] Muzungu is het Rwandese woord voor ‘blanke’.
[2] Incidenteel kwamen er toeristen om het eiland te bewonderen, maar die zochten bijna nooit contact met de bewoners.

Uitgever gevonden!

Ik heb een uitgever gevonden. En niet de minste: Lemniscaat. Vorige week hebben we het contract van De Boom met de Bittere Bladeren getekend.

Lemniscaat was mijn eerste keuze. Ik heb sterk het gevoel dat dit verhaal bij deze uitgever past. Daarom ben ik meer dan blij dat juist zij mijn verhaal willen publiceren.

Over een tijdje kan ik De Boom met de Bittere Bladeren dus met jullie delen. Ik laat het weten als het zover is.

Grenscontrole

Het Rwandese stadje Gisenyi grenst aan de Democratische Republiek Congo. De grootste grensovergang daar – vreemd genoeg Kleine Grens genoemd – speelt een rol in mijn verhaal. Tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda ging ik op expeditie. Even checken of ik het goed had gezien.

De Kleine Grens stond in mijn geheugen gegrift. Ooit was ik hier met Aimée een groep dansende, joelende Congolese dames gevolgd. Hoe kan het dat ik de handelaars was vergeten? De levende kippen, maniokbladeren, wortelen, kool en eieren? Hele ladingen zijn het, op fietsen, op ruggen en hoofden. Het lijkt wel een exodus, en wij worden erin meegezogen.

‘Goma is onveilig,’ zegt Aimée wanneer we een goed heenkomen hebben gezocht. ‘De Congolezen durven niet naar hun akkers te gaan.’ Dat verklaart waarom ze zoveel basisvoedsel uit het piepkleine buurland importeren. Omgekeerd blijken Congolese stoffen, schoenen en bakbananen het in Rwanda goed te toen. Mondjesmaat toegelaten, dat wel.

Onze Congolese vriend grapt erover wanneer hij ons in Rwanda opzoekt. ‘Als ik een paar schoenen bij jullie wil verkopen, trek ik ze voor de grensovergang aan. Dan loop ik op mijn oude slippers terug naar Congo.’ De bakbananen waar ik om had gevraagd, hebben de grenscontrole gelukkig wel doorstaan. Dat detail hoef ik in mijn verhaal niet aan te passen.

Die bananen hebben trouwens nog wel een staartje. Nadat het merendeel met oudjaar in onze maaltijd is gegaan, maak ik me op nieuwjaarsdag op voor onze volgende reis. Maar Aimée wil per sé voor vertrek het restant opbakken. ‘Waarom?’ vraag ik, bang voor het zoveelste oponthoud.

‘Misschien bederven ze,’ zegt ze. Dat vind ik geen argument. We kunnen ze toch aan de thuisblijvers geven? Als ik dat opwerp, komt de aap uit de mouw. De bakbananen zijn een gift aan ons. Om onze Congolese vriend te eren, moeten we persoonlijk zijn bakbananen opeten.

Als je het zo bekijkt, is het logisch. Maar ik was er persoonlijk niet opgekomen.

Geven en ontvangen

Via voedsel wordt veel gecommuniceerd. In post genocide Rwanda bijvoorbeeld is de uitwisseling van eten en drinken een teken dat de sociale relatie is hersteld.[1] Ook tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda vertelde voedsel een verhaal. Bijvoorbeeld de zak aardappels van Elisabeth.

Elisabeth is een jonge naaister in de Rwandese heuvels. Een paar jaar geleden had een vriendin van mij uit Nederland haar naaiopleiding gefinancierd. Verheugd om te horen dat Elisabeth nog steeds met naaien haar inkomen verdiende, besloot die vriendin om haar een lap stof te geven. Via mij, want ik was de bemiddelaar tussen gever en ontvanger. En ik kwam in de buurt.

Blij met de onverwachte gift, naaide Elisabeth van de lap stof een mooie jurk voor zichzelf. De tweede keer dat we de heuvel van Aimées ouders opklommen, kwam ze langs om haar jurk te showen. Als dank gaf Elisabeth ons een zak aardappels. Tenminste, dat vertelde ze. De zak lag nog bij haar thuis.

Ik geloof niet dat het de bedoeling was die aardappels mee naar Nederland mee te nemen, maar hem naar de stad verplaatsen was ook een hele toer. Hij woog misschien wel 50 kilo. Elisabeth ging terug om de zak in een taxibusje te laden. Wij daalden de heuvel af om ons even later bij de aardappels te voegen. Bij de kruising moest de zak in een andere taxibus worden overgeheveld, waarna hij werd uitladen op het busstation in de stad.

Daar ontstond een klein gevecht wie de zak naar huis mocht dragen (en de bijverdienste kon opstrijken). Aimée koos uiteindelijk voor een student, die zo wat studiegeld bij elkaar schraapte. Zo belandden de 50 kilo aardappels bij Aimée in de kast.

Wat een gedoe, zou je zeggen. Maar ik begrijp het wel. Nadat Elisabeth een naaiopleiding, een naaimachine èn lap stof had ontvangen, had ze nu iets kunnen teruggeven. De relatie tussen gever en ontvanger was weer in balans. En Aimées familie kon nog maandenlang aardappels eten.

[1] Bert Ingelaere, Inside Rwanda’s Gacaca’s Courts; Seeking Justice After Genocide, The University of Wisconsin Press, 2016.

Een kwestie van geloven

Wij Afrikanen zijn onverbeterlijk religieus. Ik weet niet meer wie het zei, maar na mijn bezoeken aan Afrika kan ik die uitspraak wel onderschrijven. Bijna iedereen hangt een religie aan. Niet-geloven is voor de meeste Afrikanen onbegrijpelijk.

Rwanda is grotendeels christelijk. Een kleine helft is katholiek, een vergelijkbaar deel protestant. Binnen deze stromingen zijn weer aftakkingen, zoals de Zevendedagadventisten. Ongeveer twee procent is moslim en (ondanks het taboe) twee procent agnostisch of atheïst.

Informeren naar religie is niet taboe. Zo kan het gebeuren dat iemand mij vraagt: ben jij ook katholiek? Eerlijkheid,[1] heb ik geleerd, stuit vaak op onbegrip. Daarom antwoord ik meestal gewoon met ‘ja’ en bewaar de genuanceerde versie voor mensen die ik beter ken.

Bij de Visitandines[2] zorgde dit voor een dilemma. Aimée had me meegetroond naar deze gesloten kloosterorde. Omdat de zusters nooit naar buiten mochten, werd ons een sleutel toegestoken door een tralievenster. Daarmee openden we een bezoekersruimte, waar twee zusters ons welkom heetten achter een halfhoge muur. Frisdrank en koekjes boden ze aan door een luikje.

Tja, ik ben geen lid van een kerk, mompelde ik ongemakkelijk tegen de geïnteresseerde zuster. Dat bleek het juiste antwoord, want ze had al meteen opgemerkt dat ik geen ervaring had met kruizen slaan. Nadat ik de ontkerkelijking in Nederland ter verdediging had opgevoerd, kreeg ik een kruis-sla-lesje. Wel oefenen hè, zei de zuster bij ons vertrek.

De zusters van Sacrés Coeurs[3] bleken wereldser. Zij mochten hun orde wel verlaten, en gaven onder meer les aan jonge vrouwen. Een vrouw is het hart van de gemeenschap. Als ze op het verkeerde pad dreigt te raken, kunnen wij haar bijsturen, legde een zuster tijdens onze theevisite uit. Ik vroeg of ze dat ook bij mannen deden, dat bijsturen. Alle zusters schaterden het uit.

Onbegonnen werk, dachten ze waarschijnlijk. Of: zo zijn de rollen bij ons niet verdeeld. Maar waarom zou je het niet proberen? Is dit ook niet gewoon een kwestie van geloven?

[1] Zoals veel Nederlanders vier ik wel kerst, maar ben ik niet aangesloten bij een kerk.
[2] Een vrouwelijke contemplatieve kloosterorde uit 1610. Aftakking van het katholicisme.
[3] Voluit: Les Soeurs des Sacrés Coeurs de Jésus et de Marie. Ook een aftakking van het katholicisme.

Over koeien en koeien

Een koe is het beste cadeau in Rwanda. Het is een symbool van rijkdom en sociale status – dus de ideale bruidsschat – en het is een bron van melk, bloed en vlees. Toen Aimée me schreef dat ze een koe had gekregen, was ik dan ook diep onder de indruk.

De gulle gever bleek een bevriende familie. Waarom de koe haar cadeau werd gedaan, wilde Aimée me alleen niet vertellen. ‘Dan moet je maar naar Rwanda komen,’ schreef ze toen ik ernaar vroeg.

Eigenlijk had ze wel gelijk. De afgelopen jaren had ik haar duizend-en-één vragen gesteld voor mijn roman. Als ze bleef antwoorden, hoefde ik haar nooit meer op te zoeken, redeneerde Aimée. Dus pakte ik afgelopen december het vliegtuig.

Op de heuvel van haar ouders ging ik op Expeditie Koe. Het bleek een zwart-wit exemplaar, en de hoeder kon wel een paar nieuwe laarzen gebruiken. Ik zei teleurgesteld dat ik een Inyambo had verwacht met gigantische, cirkelvormige hoorns. ‘Dat ras wordt steeds zeldzamer,’ legde Aimées nichtje uit. ‘Ze geven te weinig melk.’

Gelukkig zag ik deze indrukwekkende dieren later toch bij het Koninklijk Paleis Museum in Nyanza. De herder wreef er eentje liefdevol onder de kin, en zong haar toe. Elke Inyambo heeft een persoonlijk lied, vertelde hij nadat hij was uitgezongen.

Dat wij in Nederland ook koeien houden, kunnen ze in Rwanda waarderen. ‘Hoeveel liter geven jullie koeien per dag?’ werd me soms gevraagd. Ik geloof dat ik tijdens mijn eerste bezoek doodleuk ‘tachtig’ heb geantwoord. De verbijsterde reactie gaf weer stof voor mijn roman.[1]

Een beetje dom, zou Máxima over mijn antwoord zeggen. Of sterker nog: zo dom als het achtereind van een koe. Want waarom Aimée haar zwart-witte koe had gekregen, ben ik uiteindelijk vergeten te vragen.

[1] Nederlandse koeien geven gemiddeld twintig liter per dag, heb ik later begrepen. Rwandese koeien zes.

Vertaalkunst

Stiekem droom ik dat mijn roman ooit wordt vertaald in het Engels of Frans. Ik ben benieuwd wat ze er in Rwanda van zouden zeggen, en of het zou aanslaan op de internationale markt. De SCBWI workshop over vertalen leek me daarom reuze interessant.

Heuvels in Rwanda

Ik was gelijk onder de indruk van workshopleider Laura Watkinson[1]. Ze had De Brief voor de Koning van Tonke Dragt in het Engels vertaald. ‘Dat boek heb ik wel twintig keer gelezen!’ riep ik uit. ‘Niet zo vaak als ik,’ antwoordde Laura droog.

Om een goed vertaler te zijn, moet je minstens de taal waarin je vertaalt tot in de puntjes beheersen, leerde ik al snel. Maar Laura begon met een rondje ‘wat heb jij met vertalen?’

Tot mijn verbazing bleek dat heel wat. Mijn roman speelt in Rwanda. De eerste taal daar is Kinyarwanda, maar ik spreek er vooral Frans en soms wat Engels. Ik schrijf mijn verhaal in het Nederlands voor een westers publiek.

Tonke Dragt

‘Zo’n grote afstand hoef ik niet te overbruggen,’ reageerde Laura. Ze had het niet over de kilometers, maar de taal, cultuur en tijdsperiode waarin het verhaal zich afspeelt. Het vraagt de nodige creativiteit om die te laten aansluiten bij je (bijvoorbeeld Engelstalige) lezers.

Neem de titel De Zevensprong[2]. Dit als ‘The Crossroad’ vertalen was niet bevredigend, legde Laura uit, want de zevensprong is óók een lied. Na veel dubben kwam ze met The Song of Seven. Het is nieuw, het allitereert en het dekt de lading. Geniaal.

Zo ben ik soms ook aan het knutselen. Met al die heuvels kan je bij Rwanda moeilijk spreken van ‘platteland’. Daarom noem ik ze  ‘de heuvels’ en de kinderen die er opgroeien ‘heuvelkinderen.’ Muzehe betekent in het Kinyarwanda ‘oude man,’ maar dat klinkt bij ons te negatief. In Rwanda is het een beleefde aanspreektitel, dus zet ik dat erbij.

Kinderen in Rwandese heuvels

Sommige woorden laat ik in het Kinyarwanda staan. Gacaca bijvoorbeeld, de volksrechtbank die na de genocide werd gebruikt om het gros van de daders te berechten. Of soukous, een Congolese dans. Te veel vreemde woorden leest niet lekker, maar een aantal geeft coleur locale.

Ik heb duidelijk plezier in het spelen met taal. Zozeer dat ik me na de workshop afvraag wat Laura van mijn werktitel zal maken. En dan het gedicht This Varkentje.[3] Daarin wordt het Nederlands op humoristische wijze doorspekt met Engels. Een hersenkraker. Of zijn sommige dingen untranslatable?

[1] http://www.laurawatkinson.com
[2] Tonke Dragt, Leopold, 1967.
[3] Uit de bundel ‘Ik juich voor jou’ van Edward van de Vendel, Querido 2013.

Schrijver in Afrika

Ik was al vaak in Afrika geweest, maar nooit eerder als schrijver[1]. In Oeganda – waar mijn roman naar verwijst – leidde dit tot iets opmerkelijks.

Omdat we de meeste regio’s in Rwanda al hadden bezocht, wilden Aimée en ik deze keer eerst Oeganda verkennen. Aimée stapte in Rwanda op de bus en binnen een nacht was ze in Kampala. Ze was ruim om tijd om me van de luchthaven op te halen. Een weerzien in het buitenland, voor ons allebei.

Het was een ontdekkingstocht, dus reisden we in etappes. Onze eerste bestemming was Kabale. ‘De bus vertrekt zo,’ zei de kaartverkoper om één uur ’s middags op het busstation. De motoren ronkten veelbelovend, maar bij het instappen bleek de bus vrijwel leeg.

Geduldig wachtten we op passagiers. Een uur, twee uur. Ik probeerde een luchtje te scheppen, maar ademde alleen uitlaatgassen in. Alle bussen ronkten. Een gettoblaster dreunde in mijn hoofd. Ik voelde een stekende hoofdpijn opkomen.

Toen we drie uur later in een volle bus wegreden, draaide mijn maag zich om. Nog net op tijd kon ik de inhoud in een plastic zakje opvangen. Wat volgde was een helse tocht. Om de haverklap stopte de bus. Vleesstokjes werden door het open raam naar binnen gestoken. Handelaars boden complete maaltijden aan.

Steeds meer passagiers werden toegelaten. Toen de nacht viel, zat het gangpad vol. Na een toiletbezoek bij een benzinestation reed de bus zowat voor onze neus weg. Klauterend over lichamen bereikten we onze stoel.

Het was drie uur ’s nachts toen we onze bestemming bereikten. Alleen toen was ons guest house dicht. Gelukkig wist de chauffeur van onze motortaxi nog een slaapplek. Erg hygiënisch was het niet, maar ik was te moe om me daar druk over te maken.

De volgende morgen in het (nu wél open) guest house, vertelde Aimée over haar heenreis met de Rwandese maatschappij. ‘Ik kocht een ticket voor één stoel. We vertrokken precies op tijd. De chauffeur had een lijst met passagiers. Hij wenste ons een goede reis en vroeg ons te bidden voor een veilige aankomst.’

Dat Oeganda niet de gedisciplineerde organisatie van Rwanda heeft, had ik moeten weten. Ik had er nota bene zelf over geschreven. Ik pakte mijn manuscript en vertaalde de bewuste scène voor Aimée. Het is een dialoog tussen mijn Rwandese hoofdpersoon Maridadi en haar Nederlandse vriendin Puck. De setting is Rwanda.

Om tien uur startte de chauffeur zijn motor. Puck keek op haar mobieltje. ‘Ongelofelijk, hij is precies op tijd.’
‘Vind je dat gek?’
‘Meer bijzonder. In Oeganda reden de busjes pas weg als ze er niemand meer bij paste. Bij jullie is alles zo strak georganiseerd.’

In mijn verhaal wist ik het heel goed, maar toen ik midden in het Afrikaanse leven terecht kwam, was het me even ontglipt.

[1] Bij de SCBWI heb ik geleerd: je bent wel een schrijver, alleen nog niet gepubliceerd.

25 jaar herdenking Rwandese genocide

Afgelopen zondag was het 25 jaar geleden dat de genocide in Rwanda uitbrak. Het neerschieten van het vliegtuig met de Rwandese president Habyarimana markeerde het begin. In honderd dagen tijd werden ongeveer één miljoen mensen vermoord.

Kigali Genocide MemorialNiet alleen in Rwanda is hier bij stilgestaan. Ook bij ons is er de nodige aandacht aan besteed. Via krantenartikelen, op internet, in nieuwsprogramma’s en in documentaires.

Voor mij voelt deze kwibuka, zoals ze het in Rwanda noemen, heel dichtbij. Ik zie hoe in het Kigali Genocide Memorial de vlam wordt aangestoken. Ik luister naar overlevenden op de herdenkingsplaats van Nyanza-Kicukiro[1]. Nog maar drie maanden geleden was ik daar ook.

Er zijn veel perspectieven op dit drama. Maar iedereen die ermee te maken kreeg, is er diep door geraakt. Misschien is dat ook de reden waarom wij er bij stilstaan: we hadden ermee te maken. Neem alleen al het terugtrekken van de VN toen het erop aankwam.

Herdenkingsplaats journalisten Nyanza Kicukiro

En dan de impact. In haar programma M vraagt Margriet van der Linden zich af of er wel voldoende nazorg was voor journalisten[2]. Jan Pronk wijst erop dat nazorg vooral nodig is voor de mensen die daar heel lang zitten, zoals artsen, verplegers en hulpverleners.

Maar hoe zit het dan met de Rwandezen zelf? De mensen die zoveel geliefden hebben verloren? Die verder moesten in een land waar één op de zeven bewoners is omgebracht door hun naasten?

Pronk leert ons dat we nooit meer mogen wegkijken van een dergelijk drama[3]. Ik zou daaraan toe willen voegen dat we ook niet mogen wegkijken van de impact, want die is enorm. Alison des Forges[4] zei hierover:

De erfenis van de Rwandese genocide. Het is alsof je een familiefoto neemt en deze in het midden doorscheurt. En dan de twee helften weer aan elkaar probeert te plakken. Zelfs met de beste lijm van de wereld zal het nooit meer hetzelfde zijn.

[1] CANVAS serie Terug naar Rwanda, aflevering 3.
[2] 10 april 2019.
[3] Strijd Rond de Grote Meren; onderhandelen over vrede en recht in het hart van Afrika, LM Publishers, 2018.
[4] Specialist op het gebied van de Rwandese genocide (1942-2009).

Hoe was het in Rwanda?

Hoe het in Rwanda was, vroeg iedereen toen ik half januari terug kwam. ‘Het was veel,’ antwoordde ik. Dat woord dekte het beste de lading. Veel mensen, veel, reizen, veel plekken. Vaak vertrouwd, maar soms ook nieuw.

Rwandese lappen stof

Na me zo lang in dit land verdiept te hebben, zoog ik alles in me op als een spons. Ik wilde weten of ik het goed had gezien, of ik het goed had gehoord, en vooral: of ik het goed had begrepen.

Soms had ik het gevoel dat ik in mijn eigen verhaal rond liep. De motortaxichauffeurs met hun rugnummers, de vrouwen met hun ibitenges om hun middel geknoopt, de kinderen die een blanke naroepen. Muzungu, muzungu!

Het zichtbare was eenvoudig te toetsen. Al veel lastiger was het hoorbare. In het Engels of Frans kon ik lang niet met iedereen praten. Mijn Rwandese begroetingen maakten wel indruk, maar zonder Aimée of een andere tolk kwam ik niet ver.

Rwandese vrouwen onderweg

Nog moeilijker was het onzichtbare. Dat wat zich onder de oppervlakte bevindt. En – zoveel weet ik inmiddels van Rwanda – dat is veel. Om hier een vinger achter te krijgen, gebruikte ik verschillende invalshoeken. Gesprekken, bezoeken, foto’s, observaties, vragen…

In de basis zat het goed met mijn roman, concludeerde ik bij terugkomst. Maar er kon nóg een verdiepingsslag gemaakt worden, en ook de input daarvoor was  veel. Zoveel dat ik tot vorige week zoet was met de verwerking ervan.

Over zoet gesproken: dat ‘parfum’ had ik te letterlijk vertaald. Aimées dochtertje had deodorant willen hebben. Zo’n busje waar je zo lekker mee onder je oksels spuit. Om mijn fout te verbloemen, kocht ik onderweg in Oeganda nog snel zo’n ding.

Het twaalfjarige meisje sprong een gat in de lucht toen ze de spuitbus kreeg. Dit was mijn beste cadeau, zag ik aan haar brede lach. Ze rende gelijk naar haar nichtjes om het uit te proberen. ‘Look, a gift from Holland!’ Phsss!!! Phsss!!! Phsss!!

Terug naar de basis

Klamboe, malariapillen, zonnebril, cadeautjes… Je raadt het al: ik ga naar Rwanda! Na vier jaar met mijn hoofd in dit land te hebben vertoefd, leek het me tijd om eens fysiek een kijkje te gaan nemen. Met mijn voeten in de Afrikaanse aarde, zogezegd.

Het belangrijkste van deze reis is het weerzien met mijn vriendin Aimée. De laatste keer dat ik haar opzocht, was ik me aan het voorbereiden op mijn roman. Haar dochtertje was toen zeven. Ze vroeg om verhalenboekjes in het Engels.

Nu is het meisje elf. Op de foto’s ziet ze er al uit als een echte puber. Ze heeft om parfum gevraagd, en een gitaar waarvan ze denkt dat ik die bezit. Waarschijnlijk doordat ze me op een opname heeft horen piano spelen.

Ik ben benieuwd hoe het voelt om weer in Rwanda te zijn. Kan ik mijn verhaal voor me zien? Of is het (op sommige punten) los gezongen van de inspiratiebron? Helemaal samenvallen met de omgeving is onmogelijk – het speelt immers elf jaar geleden – maar afgezien daarvan…

En als ik er dan toch ben, kan ik me ook wel in een paar dingen verdiepen. In de genocidenherdenkingsplaatsen bijvoorbeeld, de internaten en uitgaansmogelijkheden voor jongeren in Kigali. Ik heb een heel lijstje, geïnspireerd op eerdere gesprekken met uitgever.[1]

Na de kerst komt ook nog een Nederlandse vriendin. Voor haar is het de eerste keer in Rwanda. Interessant detail is dat ik de Nederlandse studente in mijn roman heb gebaseerd op haar actieve, nieuwsgierige levenshouding.

Al met al genoeg ingrediënten voor een bijzondere reis. Half januari kom ik terug. Waarschijnlijk vol nieuwe indrukken en verhalen…

[1] Zie laatste twee blogs.

Let it be

Soms kom je niet verder. Zit je eindeloos te knutselen aan zinnen. Of krijg je überhaupt geen letter meer op papier. Je wilt zo graag, maar er komt niks uit je handen. Niets dat de moeite waard is, in elk geval.

Dat laatste had ik na het telefoontje van de uitgever[1]. Ik liep een beetje verdwaasd rond. Als iemand naar de voortgang van mijn boek informeerde, werd ik geïrriteerd. Ja, ik ben ermee bezig. Ja, het is een lange weg. Nee, ik heb geen idee of er iets uitkomt. Zucht.

Ik leek wel een computer. Je geeft input, en hij blijft maar draaien. Draai, draai, draai, doet het rondje op je scherm. Als het lang lijkt te duren – en dat vinden we tegenwoordig al snel – ga je je zorgen maken. Is hij vastgelopen? Is hij nog bezig? Wat moet ik dóen?

Gelukkig schijnt het erbij te horen. Bert Reesinck legt uit dat er zoiets bestaat als een schrijversonderbewustzijn[2]. Een lastig, maar uiteindelijk levensreddend mechanisme in de hersenen. Dat onderbewustzijn geeft signalen af. En als een schrijver zo’n signaal opvangt, kan hij maar beter luisteren.

Denk je: ik kán niet meer, stop dan gewoon. Let it be, zoals The Beatles lang geleden al zongen. Weg met het calvinistisch moraal van produceren! Weg met de druk van social media om op alle fronten succesvol te zijn. Legt je pen neer en WACHT.

Nou ja, wacht… Je zinnen verzetten is juist weer goed. Neem een langdurig warm bad, raadt Reesinck aan. Maak een strandwandeling tot zonsondergang. Ga op vakantie. En – zou ik eraan toe willen voegen – kijk weer eens goed naar de mensen om je heen.

Het is een proces, denk ik met de kennis van nu. Je computer draait op volle toeren. Er is niets te zien, maar vanbinnen wordt hard gewerkt. Let op groen licht van je onderbewustzijn.

Uitgedraaid. Done. Je kan weer verder.

[1] Zie vorige blog.
[2] Hoe Schrijf Ik Een Succesroman, Standaard Uitgeverij, 2000.

Schrijven doe je niet alleen

Bij mij gaat niet alles volgens het boekje. Bij de zoektocht naar een uitgever, geeft het Handboek voor Schrijvers[1] twee opties. Je wordt afgewezen, of je krijgt een telefoontje. In het laatste geval spring je een gat in de lucht: je mag op gesprek komen!

Ik stuurde mijn manuscript op en zowaar, ik kreeg een telefoontje. Maar met de opmerking dat ik onderweg was naar “een heel bijzonder boek”, kwamen de vragen en kritische noten. Ik raakte in verwarring. Was dit nou een ja of een nee?

“Denk er goed over na,” zei de uitgever. “Als je eraan toe bent, kan je een keer langskomen.” IJverig zette ik al zijn punten op een rij. Ik vroeg advies aan mijn schrijfcoach, mijn schrijfclub en mijn naaste omgeving. Ik draaide de punten binnenstebuiten. Toen ik mijn mening had gevormd, meldde ik me aan.

De daadwerkelijke ontmoeting liet even op zich wachten. Een Kinderboekenweek en boekenbeurs later, maakte ik mijn acte de présence. Het was een interessant en open gesprek. We bleken allebei op zoek naar een authentiek verhaal. Een idee werd geboren. Als je nou deze invalshoek neemt…

“Denk er goed over na,” zei de uitgever weer. “Het is jouw boek. Jij moet erachter staan.” Maar ik wilde het graag onderzoeken en ging aan de slag. Wat was het belangrijkste punt? Was ons idee daarvoor de oplossing? Waren er nog betere oplossingen?

Hier aangekomen, dankte ik God op mijn blote knieën voor mijn klankbord. Mijn schrijfcoach, schrijfclub en achtergrondnetwerk bleken cruciaal. Al deze mensen waren betrokken geweest bij de totstandkoming van mijn manuscript. En allemaal waren ze bereid om mee te denken.

Deze consultatie is nu bijna afgerond. Hopelijk zit het winnende idee er bij. Dat wordt straks duidelijk als ik het aan de uitgever voorleg. Hij had gelijk: het is mijn boek. Maar ook een beetje van de mensen die meedenken.

Soms lijkt schrijven een eenzame business, maar uiteindelijk doe je het niet alleen.

[1] Maaike Molhuysen, Eerste druk, zevende editie, Uitgeverij Augustus, 2014.

De Petteflat door Afrikaanse ogen

Of ik een paar kinderboeken naar Rwanda kon meebrengen, had het dochtertje van Aimée gezegd. “Des histoires in het Engels graag,” briefde Aimée door. Haar meisje was acht. Ze kreeg les in het Engels, maar wat was haar leesniveau?

Na de genocide werd in Rwanda het Frans vervangen door het Engels. Een flinke uitdaging, al was het maar om genoeg gekwalificeerde leraren te vinden. Generaties Rwandezen – waaronder Aimée – waren in het Franstalige systeem grootgebracht.

Hoe goed haar dochtertje Engels beheerste, kon ik op afstand moeilijk inschatten. Daarom koos ik vier verschillende niveaus. Twee voor kleuters, een boekje getiteld The Inch Prince[1] en de vertaling van Annie M.G.’s klassieker Pluk van de Petteflat.

Eenmaal in Rwanda stortte het meisje zich op mijn verzameling. De kleuterboeken bleken iets te makkelijk, maar The Inch Prince was een schot in de roos. Steeds opnieuw las ze het Japanse volksverhaal over Izzy die niet groter was dan een inch. ‘I am tiny like Izzy,’ zei ze als ze ergens niet bij kon.

Nu komt de klapper, dacht ik toen ik Tow-Truck Pluck uit mijn rugzak toverde. Maar dat viel tegen. De tekst was te ingewikkeld om zelfstandig te lezen, en toen ik hem voorlas, riep de setting vraagtekens op.

‘Weet je wat een park is?’ vroeg ik toen Pluk met zijn kraanwagentje naar het park reed.

Het meisje knikte. ‘Ja, het Virunga National Park.’

Een oerwoud met berggorilla’s. Dat is nou niet precies wat wij in Nederland onder een park verstaan.

Ook de Petteflat moet Aimées dochtertje anders hebben opgevat. Haar hele leven had ze op de begane grond gewoond. Toen we in Musanze op een eerste etage zouden gaan logeren, was ze dagenlang opgewonden bij het vooruitzicht. Boven de grond slapen: wat een luxe!

Een park wordt een oerwoud met berggorilla’s. Een galerijflat wordt een gebouw voor de rijken. Annie M.G. Schmidt heeft het vast niet zo bedoeld, maar zeg nou zelf: Pluk van de Petteflat door Rwandese kinderogen is bepaald verfrissend.

[1] Retold by Russell Punter, illustrated by Matt Ward. Usborne first reading level 4.

Oei, ik groei!

Wat doe je als iemand je een bal toegooit? Probeer je hem te vangen? Of laat je hem langs je heen gaan? Na het geven van feedback, nu mijn bespiegelingen over feedback ontvangen. Want ook die kunst is te leren.

Je weet natuurlijk dat die bal eraan komt: de feedback is bijna altijd aangekondigd. Maar als hij buiten je bereik langs vliegt, of met enorme kracht wordt geworpen, zou ik hem laten gaan. Die ballen zeggen vaak meer over de werper dan over jou.

Kies je feedbackpartner(s) daarom zorgvuldig. Niet alleen op kwaliteit, maar ook op kwantiteit. Veel ballen tegelijk kunnen verwarrend zijn. Een cursus met tien romanschrijvers was voor mij teveel van het goede. Het duizelde me zo van hun (op sommige punten tegengestelde) meningen, dat ik na de eerste les afhaakte.

Heb je een bal gevangen, dan begint de volgende stap. Hoe ga je ermee om? Je kan de inhoud klakkeloos overnemen. Dat is het ene uiterste. Daarmee doe je de feedbackgever een plezier, maar jezelf tekort. Op den duur verliezen je verhaal – en jijzelf als schrijver – hun eigenheid.

Helemaal niets aannemen, is het andere uiterste. Je schiet in de verdediging. Je hebt er toch lang en diep over nagedacht? Die ander had gewoon beter moeten lezen! Als je blind bent voor andere opties, ontneem je jezelf de kans op groei.

Wil je verder komen, dan raad ik de gulden middenweg aan. Neem alle gevangen ballen serieus, maar neem ze niet kritiekloos over. Probeer eerst goed te begrijpen wat de je feedbackgever bedoelt.[1] Soms beschrijft hij het ene, maar gaat het feitelijk om iets anders.

Wanneer het punt helder is, laat het dan bezinken. Vind jij dat ook? En zo ja: hoe zou je dat kunnen oplossen?[2] Vaak blijken er, als je er wat langer over nadenkt, nog een heleboel mogelijkheden te zijn.

Eigenlijk is het net zoals dat standaardboek over de eerste kinderjaren, Oei, ik groei![3] De ontwikkeling van een roman gaat met sprongen. En soms doet het een beetje pijn.

[1] Je kan dit doen door vragen te stellen. Bijvoorbeeld: wat geeft je dat gevoel? Wat mis je precies? Wat is daarin belangrijk?
[2] Als de ander een oplossing aandraagt, zou je kunnen vragen: wat levert dat op? Waar gaat het je om?
[3] https://www.oeiikgroei.nl/

Opbouwende kritiek

Feedback geven is een kunst. Nou ja, kunst… Meer een ambacht eigenlijk: je kan het leren. De één wat makkelijker dan de ander, maar het ligt binnen handbereik. Hier een paar tips uit eigen keuken.

Nummer één: zeg eerst wat je goed vindt. Uitgebreid, herhaling is toegestaan. In Nederland slaan we dit vaak over. Wat goed is, vinden we vanzelfsprekend. Een gemiste kans, want het benoemen ervan zet de ontvanger in zijn kracht. Daarna zal hij beter luisteren naar je kritische noten.

Een tweede tip: spreek vanuit jezelf. Zeg hoe het op jou overkomt, wat het met jou doet. Veel boodschappen zijn een verkapt oordeel. Bijvoorbeeld: het is saai. De taal is ouderwets. De dialogen zijn geforceerd.

Betere formuleringen zijn: ik vind het niet spannend. Het spreekt me niet zo aan. Ik kan het niet volgen. Alleen als het daarbij blijft, kan de ontvanger er nog weinig mee. Het is te algemeen – en algemeenheden bieden geen houvast.

Vandaar tip drie: onderbouw wat je bedoelt. Hoe specifieker, hoe beter. Waarom vind je het niet spannend? Welk stuk kan je niet volgen? Pas wanneer je hebt vastgesteld waar de schoen wringt, kan je er wat aan doen.

Soms neemt je verbeeldingskracht het over. De hoofdpersoon is in het water gevallen, maar is het niet veel spannender als hij geduwd wordt? In het holst van de nacht, terwijl hij niet kan zwemmen en niemand zijn hulpgeroep kan horen?

Op die manier het verhaal voor een ander invullen, werkt meestal niet. Je neemt alleen de regie over. Tip vier is daarom: stel open vragen[1]. Waarom valt die man in het kanaal? Wat gaat er door hem heen?

De pluspunten benoemen. Vanuit jezelf spreken. Je mening onderbouwen. Open vragen stellen. Het klinkt zo eenvoudig, maar in de praktijk valt het niet mee. Ben je het allemaal even kwijt? Bedenk dan hoe je zelf feedback zou willen krijgen. Misschien is dat al genoeg.

[1] Open vragen beginnen altijd met een vraagwoord: wie, wat, waar, waarom, welke, wanneer, hoe, hoezo? Gesloten vragen beginnen met een werkwoord (ben je? ga je?) en zijn te beantwoorden met ‘ja’ of ‘nee.’

Een overgangsrite

Van Klaas de Jonge heb ik haar contactgegevens gekregen. Hoe zorgvuldig ze te werk gaat, blijkt als ze na mijn email eerst bij de Jonge[1] naar mijn boek informeert. Zo verrijkt, komt ze aan de telefoon direct tot een scherpe observatie. ‘Wat jij doet, is iets anders dan wat ik doe,’ zegt Lieve Joris. ‘Jij schrijf fictie en ik schrijf non-fictie.’

Voor mij is dit gesprek een soort overgangsrite. Sinds het lezen van Terug naar Congo is Lieve Joris altijd een voorbeeld voor me geweest. Mali blues, Dans van de luipaard, Het uur van de rebellen, De hoogvlaktes…[2] Het is de diepgang waarmee ze over Afrika schrijft, het respect waarmee ze haar personages neerzet. Dat wilde ik ook, maar hoe?

Naar dat hoe heb ik jarenlang gezocht. Ik studeerde Culturele Antropologie, maar wetenschap was mij te droog. Ik overwoog een omscholing tot journalist, maar de waan van de dag was mij te vluchtig. Ik deed een literaire schrijfcursus, maar taalkunst was voor mij niet een doel op zichzelf.

Net als Lieve Joris wilde ik over mensen vertellen. Over mensen in verre culturen of dichterbij. Alleen waar zij non-fictie koos, ben ik de weg van de fictie ingeslagen. Ik laat (naast grondige research) mijn verbeeldingskracht de vrije loop. Ik probeer te voelen welk thema ergens speelt. Aan de hand daarvan ontstaan de personages en de verhaallijn.

‘Hoe kijk jij er dan tegen aan?’ vraagt Lieve Joris over de Rwandese context aan het einde van ons gesprek. Ze heeft net verhelderd hoe het perspectief van een schrijver zijn verhaal beïnvloedt.

‘Het is ingewikkeld,’ zeg ik.

Ja, het is ingewikkeld. Daar stemt ze volledig mee in.

[1] Klaas de Jonge had op dat moment al mijn volledige manuscript gelezen.
[2] Zie: http://www.lievejoris.nl