BLOG

Reizen in een strip

‘Hé, daar heb ik vroeger veel van de wereld van opgestoken!’ Mijn buurman, die met zijn zoontje op de gang een Suske en Wiske zit te lezen, kijkt me glazig aan.

‘Echt? Dat zijn toch allemaal fantasieverhalen?’ Aarzelend schud ik mijn hoofd. In mijn herinnering gaan Suske en Wiske naar allerlei landen. ‘Wacht,’ zeg ik, ‘op de kast heb ik er nog een paar liggen.’

Met een stapeltje oude strips loop ik terug naar buurman Matthijs. En verdraaid: van de negen Suske en Wiske’s uit mijn nostalgische collectie, spelen zich zes af in verre landen.

In Turkije (Jeromba de Griek), Tibet (De Brullende Berg), de Afrikaanse kolonie “Dongo” (De Vliegende Aap), Libanon (Sjeik El Rojenbiet), Filippijnen en Hong Kong (De Sissende Sampan) en Nepal (De Parel in de Lotusbloem).

Matthijs is overtuigd. ‘Willen jullie ze lezen?’ vraag ik als ik de ogen van zijn zoontje Julian zie glimmen. Dat hoef ik geen twee keer te vragen. De strips wisselen tijdelijk van huis.

‘Misschien gaat Julian later ook reizen,’ zegt mijn buurman als hij ze een maand later terug brengt. Aangespoord door deze opmerking, blader ik de strips nog eens door.

In de Afrikaanse kolonie “Dongo”,[1] worden de hoofdpersonen in een ketel boven het vuur gekookt door pikzwarte mensen met reusachtige lippen. Ze dansen om de kookpot en zwaaien met speren, messen en knotsen. Dit kan nu echt niet meer; strip nummer 87 moet lang geleden zijn gemaakt.

Strip nummer 214, De Parel in de Lotusbloem, lijkt de toets des tijds beter te kunnen doorstaan. Op het voorblad staat een citaat van Kalu Rinpoche[2], en in het verhaal speelt de Dalai Lama een rol.

Als kind keek ik niet met zulke ogen. De strips prikkelden alleen mijn nieuwsgierigheid naar de wereld. Het is vast niet voor niks dat ik uit de honderden Suske en Wiske’s voornamelijk die uit verre landen heb bewaard.

Wat mijn buurjongen zal kiezen, weet ik niet. Een beetje nieuwsgierig ben ik wel. Zal hij over pakweg vijfendertig jaar ook zijn selectie Suske en Wiske’s herontdekken? En welk patroon zal hij dan zien?

[1] Duidelijk geïnspireerd op de Belgische kolonie Congo.
[2] Kalu Rinpoche (1905- 1989) was een Boeddhistische lama, meditatiemeester en onderwijzer. Hij was een van de eerste Tibetaanse leraren die les gaf in het Westen.

Het eiland waar de oorlog nooit kwam

‘Ga je mee naar een eiland?’ vroeg Aimée toen ik net een weekje in Rwanda was. Haar werkbezoek aan de lokale gemeenschap was al een tijd daarvoor ingepland. Ik rook het avontuur en zei ‘ja.’

De oversteek was romantisch. Een houten bootje, zwemvesten, een zwoele bries en een prachtig uitzicht over het meer.

Op het eiland werden we opgevangen door een handvol bewoners. Een steile klim in de brandende zon bracht ons naar een gemeenschapshuis. Terwijl Aimée voorlichting gaf aan de vrouwen en kinderen, nam ik de omgeving goed in me op.

Veel groen en rotsen. Aan beide kanten van het gemeenschapshuis glinsterde het water in de diepte. Ruim driehonderdvijftig mensen leefden hier, had Aimée me verteld. Eén lagere school, één kerk.

Maar het was niet de idyllische schoonheid die me trof. Er hing iets ongrijpbaars in de lucht. Iets aangenaams, dat me een prettig gevoel bezorgde.

‘Hoe was het hier eigenlijk tijdens de oorlog?’ dacht ik hardop toen we een rondleiding over het eiland kregen. ‘Hé,’ antwoordde Aimée verrast. ‘Dat vroeg ik me ook af toen ik hier voor de eerste keer kwam.’

Wat bleek? De oorlog was nooit op dit eiland aangekomen. Er woonden alleen mensen van één groep, dus was er geen conflict. Noch de Hutu-extremisten, noch de Tutsi-rebellen hadden tijdens de genocide de oversteek gemaakt.

Juist door het gebrek aan onderhuidse spanning, ontdekte ik dat ik die op het vasteland wel had gevoeld. Bij het gemeenschapshuis voelde ik me zo op mijn gemak, dat ik naast een vrouw in het gras neerplofte. Terwijl ik haar hielp met boontjes doppen, werd ik ondervraagd door nieuwsgierige vrouwen en giechelende kinderen.

‘Je moet wel veel van ons houden,’ zeiden de eilandbewoners tegen Aimée, ‘want je hebt een muzungu[1] voor ons meegebracht!’ Ze waren bijzonder verguld met de blanke die – zo bleek uit de boontjes – speciaal voor hen was gekomen.[2]

Een kleine delegatie begeleidde ons aan het einde van de middag naar de boot. De vrouwen omhelsden ons, de mannen gaven een stevige hand. Ze zwaaiden toen we koers zetten naar de overkant.

Halverwege het meer keek ik nog een keer om. Onze uitzwaaiers stonden er nog steeds, stil starend in de verte. Met een brok in mijn keel keek ik ze na. Zo had het overal in Rwanda kunnen zijn, als de oorlog nooit was gekomen.

[1] Muzungu is het Rwandese woord voor ‘blanke’.
[2] Incidenteel kwamen er toeristen om het eiland te bewonderen, maar die zochten bijna nooit contact met de bewoners.

Uitgever gevonden!

Ik heb een uitgever gevonden. En niet de minste: Lemniscaat. Vorige week hebben we het contract van De Boom met de Bittere Bladeren getekend.

Lemniscaat was mijn eerste keuze. Ik heb sterk het gevoel dat dit verhaal bij deze uitgever past. Daarom ben ik meer dan blij dat juist zij mijn verhaal willen publiceren.

Over een tijdje kan ik De Boom met de Bittere Bladeren dus met jullie delen. Ik laat het weten als het zover is.

Grenscontrole

Het Rwandese stadje Gisenyi grenst aan de Democratische Republiek Congo. De grootste grensovergang daar – vreemd genoeg Kleine Grens genoemd – speelt een rol in mijn verhaal. Tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda ging ik op expeditie. Even checken of ik het goed had gezien.

De Kleine Grens stond in mijn geheugen gegrift. Ooit was ik hier met Aimée een groep dansende, joelende Congolese dames gevolgd. Hoe kan het dat ik de handelaars was vergeten? De levende kippen, maniokbladeren, wortelen, kool en eieren? Hele ladingen zijn het, op fietsen, op ruggen en hoofden. Het lijkt wel een exodus, en wij worden erin meegezogen.

‘Goma is onveilig,’ zegt Aimée wanneer we een goed heenkomen hebben gezocht. ‘De Congolezen durven niet naar hun akkers te gaan.’ Dat verklaart waarom ze zoveel basisvoedsel uit het piepkleine buurland importeren. Omgekeerd blijken Congolese stoffen, schoenen en bakbananen het in Rwanda goed te toen. Mondjesmaat toegelaten, dat wel.

Onze Congolese vriend grapt erover wanneer hij ons in Rwanda opzoekt. ‘Als ik een paar schoenen bij jullie wil verkopen, trek ik ze voor de grensovergang aan. Dan loop ik op mijn oude slippers terug naar Congo.’ De bakbananen waar ik om had gevraagd, hebben de grenscontrole gelukkig wel doorstaan. Dat detail hoef ik in mijn verhaal niet aan te passen.

Die bananen hebben trouwens nog wel een staartje. Nadat het merendeel met oudjaar in onze maaltijd is gegaan, maak ik me op nieuwjaarsdag op voor onze volgende reis. Maar Aimée wil per sé voor vertrek het restant opbakken. ‘Waarom?’ vraag ik, bang voor het zoveelste oponthoud.

‘Misschien bederven ze,’ zegt ze. Dat vind ik geen argument. We kunnen ze toch aan de thuisblijvers geven? Als ik dat opwerp, komt de aap uit de mouw. De bakbananen zijn een gift aan ons. Om onze Congolese vriend te eren, moeten we persoonlijk zijn bakbananen opeten.

Als je het zo bekijkt, is het logisch. Maar ik was er persoonlijk niet opgekomen.

Geven en ontvangen

Via voedsel wordt veel gecommuniceerd. In post genocide Rwanda bijvoorbeeld is de uitwisseling van eten en drinken een teken dat de sociale relatie is hersteld.[1] Ook tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda vertelde voedsel een verhaal. Bijvoorbeeld de zak aardappels van Elisabeth.

Elisabeth is een jonge naaister in de Rwandese heuvels. Een paar jaar geleden had een vriendin van mij uit Nederland haar naaiopleiding gefinancierd. Verheugd om te horen dat Elisabeth nog steeds met naaien haar inkomen verdiende, besloot die vriendin om haar een lap stof te geven. Via mij, want ik was de bemiddelaar tussen gever en ontvanger. En ik kwam in de buurt.

Blij met de onverwachte gift, naaide Elisabeth van de lap stof een mooie jurk voor zichzelf. De tweede keer dat we de heuvel van Aimées ouders opklommen, kwam ze langs om haar jurk te showen. Als dank gaf Elisabeth ons een zak aardappels. Tenminste, dat vertelde ze. De zak lag nog bij haar thuis.

Ik geloof niet dat het de bedoeling was die aardappels mee naar Nederland mee te nemen, maar hem naar de stad verplaatsen was ook een hele toer. Hij woog misschien wel 50 kilo. Elisabeth ging terug om de zak in een taxibusje te laden. Wij daalden de heuvel af om ons even later bij de aardappels te voegen. Bij de kruising moest de zak in een andere taxibus worden overgeheveld, waarna hij werd uitladen op het busstation in de stad.

Daar ontstond een klein gevecht wie de zak naar huis mocht dragen (en de bijverdienste kon opstrijken). Aimée koos uiteindelijk voor een student, die zo wat studiegeld bij elkaar schraapte. Zo belandden de 50 kilo aardappels bij Aimée in de kast.

Wat een gedoe, zou je zeggen. Maar ik begrijp het wel. Nadat Elisabeth een naaiopleiding, een naaimachine èn lap stof had ontvangen, had ze nu iets kunnen teruggeven. De relatie tussen gever en ontvanger was weer in balans. En Aimées familie kon nog maandenlang aardappels eten.

[1] Bert Ingelaere, Inside Rwanda’s Gacaca’s Courts; Seeking Justice After Genocide, The University of Wisconsin Press, 2016.

Een kwestie van geloven

Wij Afrikanen zijn onverbeterlijk religieus. Ik weet niet meer wie het zei, maar na mijn bezoeken aan Afrika kan ik die uitspraak wel onderschrijven. Bijna iedereen hangt een religie aan. Niet-geloven is voor de meeste Afrikanen onbegrijpelijk.

Rwanda is grotendeels christelijk. Een kleine helft is katholiek, een vergelijkbaar deel protestant. Binnen deze stromingen zijn weer aftakkingen, zoals de Zevendedagadventisten. Ongeveer twee procent is moslim en (ondanks het taboe) twee procent agnostisch of atheïst.

Informeren naar religie is niet taboe. Zo kan het gebeuren dat iemand mij vraagt: ben jij ook katholiek? Eerlijkheid,[1] heb ik geleerd, stuit vaak op onbegrip. Daarom antwoord ik meestal gewoon met ‘ja’ en bewaar de genuanceerde versie voor mensen die ik beter ken.

Bij de Visitandines[2] zorgde dit voor een dilemma. Aimée had me meegetroond naar deze gesloten kloosterorde. Omdat de zusters nooit naar buiten mochten, werd ons een sleutel toegestoken door een tralievenster. Daarmee openden we een bezoekersruimte, waar twee zusters ons welkom heetten achter een halfhoge muur. Frisdrank en koekjes boden ze aan door een luikje.

Tja, ik ben geen lid van een kerk, mompelde ik ongemakkelijk tegen de geïnteresseerde zuster. Dat bleek het juiste antwoord, want ze had al meteen opgemerkt dat ik geen ervaring had met kruizen slaan. Nadat ik de ontkerkelijking in Nederland ter verdediging had opgevoerd, kreeg ik een kruis-sla-lesje. Wel oefenen hè, zei de zuster bij ons vertrek.

De zusters van Sacrés Coeurs[3] bleken wereldser. Zij mochten hun orde wel verlaten, en gaven onder meer les aan jonge vrouwen. Een vrouw is het hart van de gemeenschap. Als ze op het verkeerde pad dreigt te raken, kunnen wij haar bijsturen, legde een zuster tijdens onze theevisite uit. Ik vroeg of ze dat ook bij mannen deden, dat bijsturen. Alle zusters schaterden het uit.

Onbegonnen werk, dachten ze waarschijnlijk. Of: zo zijn de rollen bij ons niet verdeeld. Maar waarom zou je het niet proberen? Is dit ook niet gewoon een kwestie van geloven?

[1] Zoals veel Nederlanders vier ik wel kerst, maar ben ik niet aangesloten bij een kerk.
[2] Een vrouwelijke contemplatieve kloosterorde uit 1610. Aftakking van het katholicisme.
[3] Voluit: Les Soeurs des Sacrés Coeurs de Jésus et de Marie. Ook een aftakking van het katholicisme.

Over koeien en koeien

Een koe is het beste cadeau in Rwanda. Het is een symbool van rijkdom en sociale status – dus de ideale bruidsschat – en het is een bron van melk, bloed en vlees. Toen Aimée me schreef dat ze een koe had gekregen, was ik dan ook diep onder de indruk.

De gulle gever bleek een bevriende familie. Waarom de koe haar cadeau werd gedaan, wilde Aimée me alleen niet vertellen. ‘Dan moet je maar naar Rwanda komen,’ schreef ze toen ik ernaar vroeg.

Eigenlijk had ze wel gelijk. De afgelopen jaren had ik haar duizend-en-één vragen gesteld voor mijn roman. Als ze bleef antwoorden, hoefde ik haar nooit meer op te zoeken, redeneerde Aimée. Dus pakte ik afgelopen december het vliegtuig.

Op de heuvel van haar ouders ging ik op Expeditie Koe. Het bleek een zwart-wit exemplaar, en de hoeder kon wel een paar nieuwe laarzen gebruiken. Ik zei teleurgesteld dat ik een Inyambo had verwacht met gigantische, cirkelvormige hoorns. ‘Dat ras wordt steeds zeldzamer,’ legde Aimées nichtje uit. ‘Ze geven te weinig melk.’

Gelukkig zag ik deze indrukwekkende dieren later toch bij het Koninklijk Paleis Museum in Nyanza. De herder wreef er eentje liefdevol onder de kin, en zong haar toe. Elke Inyambo heeft een persoonlijk lied, vertelde hij nadat hij was uitgezongen.

Dat wij in Nederland ook koeien houden, kunnen ze in Rwanda waarderen. ‘Hoeveel liter geven jullie koeien per dag?’ werd me soms gevraagd. Ik geloof dat ik tijdens mijn eerste bezoek doodleuk ‘tachtig’ heb geantwoord. De verbijsterde reactie gaf weer stof voor mijn roman.[1]

Een beetje dom, zou Máxima over mijn antwoord zeggen. Of sterker nog: zo dom als het achtereind van een koe. Want waarom Aimée haar zwart-witte koe had gekregen, ben ik uiteindelijk vergeten te vragen.

[1] Nederlandse koeien geven gemiddeld twintig liter per dag, heb ik later begrepen. Rwandese koeien zes.