BLOG

Bij de drukker (1)

“WILCO, BOEKEN EN TIJDSCHRIFTEN,” staat er boven de ingang. Ik ben in Amersfoort op een industrieterrein. Normaal gesproken komt Lemniscaat hier alleen voor de eerste druk van een prentenboek. Maar als de auteur dat wil, maken ze graag een uitzondering.

De medewerker Productie van Lemniscaat vangt me op bij de voordeur. Ik ben razend nieuwsgierig als hij me de drukkerij in leidt. Na de redactie, bureauredactie en promotie, is nu het drukproces aan de beurt.

We lopen de trap op. Boven zijn diverse kantoorruimtes. Hier worden de orders ontvangen en voorbereid, legt mijn gids uit. Hij is een van de drie vormgevers van Lemniscaat. Naast vormgeving, zijn ze ook verantwoordelijk voor drukwerkinkoop en begeleiding.

Thuis had ik de boeken van Lemniscaat er nog even op nageslagen. Druk & bindwerk, staat er in het colofon. Ik weet inmiddels dat drukwerk bestaat uit het binnenwerk (de tekst), de buitenkant en – zo die er zijn – de illustraties. Bij het binden worden die samengevoegd tot een boek.

Vandaag mag ik het drukken van de cover van mijn boek live meemaken. En dat gaat precies op tijd. Met een dampende kop koffie in mijn hand, haast ik me achter mijn gids aan naar beneden.

We komen in een soort loods. Een aantal ruimtes zijn gevuld met machines die door voornamelijk mannen worden bediend. De machines rammelen, ruisen en ratelen. Daar tussendoor worden ladingen papier op steekkarretjes heen en weer gereden.

Mijn cover is al in de maak. Ik zie hem op een gladde tafel liggen en op een groot computerscherm. De machine ernaast braakt onophoudelijk nieuwe exemplaren uit. Een medewerker vist er telkens eentje uit. Als die niet goed is, kan hij de machine bijstellen.

Boven het lawaai uit geeft hij uitleg. Er zijn vier basiskleuren: geel, rood, blauw en zwart.[1] Daarmee kan je alle kleuren mengen. Mijn cover wordt gedrukt op hagelwit papier. Er zit een chemische stof in waardoor het gaat glanzen.

Het drukken gaat razendsnel. Deze machine haalt wel 20.000 afdrukken per uur, zegt de medewerker trots. Nu maken ze prints voor mijn stofomslag[2] en hardcover. Wanneer hij zijn vinger over de cover haalt, loopt de kleur uit. De verf was blijkbaar nog nat.

Hij kiest een mooi exemplaar uit de stapel en geeft die aan mij. Als een trofee houd ik hem vast. Voor het eerst kan ik De boom met de bittere bladeren aanraken. Zo dicht ben ik nog nooit bij mijn boek geweest.

[1] Ze noemen dit bij de drukker: yellow, magenta, cyaan en black.
[2] Dit is de papieren omslag van het boek. Op de binnenflappen staat iets over de schrijver en een leesfragment.

Promotie

Als je een boek hebt geschreven, wil je natuurlijk dat het wordt gelezen. En het kan pas worden gelezen, als het wordt gekocht. Het boek moet worden gepromoot. Een nieuwe fase voor De boom met de bittere bladeren.

Ik prijs me gelukkig dat ik een goede uitgever heb gevonden. De naam Lemniscaat staat voor kwaliteit. Bovendien doet de uitgever van alles om het boek onder de aandacht te brengen. Via hun standaardkanalen zoals aanbiedingsfolder en de website, maar ook op andere manieren.

Zo is mijn boek opgenomen in Lemniscaat laat de geschiedenis leven. In het kader van de Kinderboekenweek[1] maakt Lemniscaat lessuggesties bij twintig historische jeugdboeken. Scholen kunnen deze titels tegen een gereduceerd tarief aanschaffen, en krijgen het lessugestiesboek cadeau. Of ze kunnen een specifiek boek aanschaffen en naar de website surfen. De lessuggesties bij De boom met de bittere bladeren staan er nu al op[2].

Lemniscaat heeft ook een prachtig voorpublicatieboekje met het eerste hoofdstuk uit mijn boek gemaakt, en een bijpassende boekenlegger. Bij het ontwikkelen van deze materialen had ik nauwelijks een rol. Maar bij het filmpje[3], de Spotify-list, de Q & A over de schrijfster werd mijn input wel gevraagd.

Enthousiast stortte ik me op deze nieuwe materie. Ik ben geen geboren verkoper, maar overtuigd van dit verhaal ben ik wél. De drive om dit boek te schrijven, is ook de drive om het te helpen verkopen. Waar nodig met hulp van buitenaf. Het filmpje bijvoorbeeld, is gemaakt door twee filmmakers uit mijn netwerk[4].

En dan is er de zoektocht naar ambassadeurs. Lemniscaat stelt een flink aantal recensie-exemplaren voor mensen of organisaties die het boek online of offline onder de aandacht willen brengen. Of ik mensen weet die deze rol kunnen vervullen.

Ik doorloop mijn leven in omgekeerde volgorde. Netwerk van schrijvers, ontwikkelingssamenwerking, studie Culturele Antropologie, middelbare school. Overal zitten aanknopingspunten, want elke fase heeft bijgedragen aan het schrijven van dit verhaal.

In België geeft Koen Peeters[5] me een lijst met contacten. BV staat er achter twee van hen. ‘Belgische Vrouw’, vul ik in. Maar als ik het voor de zekerheid navraag, blijkt het Bekende Vlaming te zijn. Jullie hebben in Nederland toch ook BN’ers? schrijft Peeters.

Nu krijg ik de smaak te pakken. Input vragen is leuk! Dus weet jij toevallig nog een geschikte ambassadeur? Stuur me dan een mailtje[6]. Misschien win je dan wel een boek met handtekening van de auteur.

[1] 30 september t/m 11 oktober.
[2] https://www.lemniscaat.nl/boeken/de-boom-met-de-bittere-bladeren/
[3] https://www.youtube.com/watch?v=5mBTqJnuYBQ
[4]  http://cinemaffia.nl/
[5] Schrijver van de roman Duizend Heuvels.
[6] ruthericaschrijft@gmail.com

Bureauredactie in actie

‘Dus de redactie is achter de rug?’ vroeg een vriendin laatst. ‘Inhoudelijk is het manuscript wel geredigeerd, maar de bureauredactie moet er nog aan te pas komen,’ legde ik uit. In haar ogen las ik de onuitgesproken vraag. Een bureauredacteur: wat is dat nou weer?

Een bureauredacteur is iemand met vergrootglas. Dat moet haast wel, want mijn bureauredacteur bestudeerde alle 67.599 woorden van mijn manuscript met een hyperfocus. Spelling, stijl, interne logica, consequent taalgebruik, woordkeuze… Niets ontging haar.

Het werd me snel duidelijk dat ik te maken had met een professional. Want terwijl ze zich focuste op details, bleef ze het totaalplaatje zien. Dat was een heel fijne klus, schreef ze toen ze mijn manuscript had geredigeerd. Wat een mooi, bijzonder en aangrijpend verhaal heb je geschreven!

Op het gebied van spelling viel behoorlijk wat te verbeteren. Het al dan niet samenvoegen van woorden, het juist plaatsen van een komma, het verschil tussen niks en niets, wel of geen punt na een uitleg in de verklarende woordenlijst, een citaat midden in een woord onderbreken, of na een volledig woord.

Bij twijfel raadpleegde mijn bureauredacteur de Dikke Van Dale of een taalwebsite.[1] Toen ik de volgende zin voorstelde: ‘de poort zwaaide open’, reageerde ze met: Ja, beter zo! Van Dale geeft bij ‘poort’ het synoniem ‘poortdeur’, dus een poort kan openzwaaien.

Stijlcorrecties waren er vrij weinig. Ook de correcties op het gebied van interne logica vielen mee. Maar de keuzes voor bepaalde woorden bezorgden me hoofdbrekers. Het woord moest kloppen in Rwanda, te begrijpen zijn in het Westen, en mocht in beide contexten niet omstreden zijn.

Neem het woord ‘Batwa’. Vroeger noemden wij hen ‘pygmeeën’, maar die benaming viel af omdat hij nu omstreden is. ‘Batwa’ kon ook niet zonder meer, want de groepen in Rwanda zijn na de genocide afgeschaft. ‘Pottenbakkers’ zou slechts een deel van de lading dekken, en de Rwandese omschrijving ‘mensen die achter zijn in hun ontwikkeling als gevolg van hun geschiedenis,’ klinkt bij ons weer als een dissonant.

Toch hebben we het opgelost. Hoe? Dat mag je zelf ontdekken als het boek verschijnt. Een stille hint: let op de context.

[1]  https://woordenlijst.org/ en https://onzetaal.nl/taaladvies/

Aanbieding online!

Leuk nieuws! De aanbieding van Lemniscaat voor de zomer van 2020 staat online, met daarin De Boom met de Bittere Bladeren.

Je vindt hem hier op de website van Lemniscaat:

https://www.lemniscaat.nl/boeken/de-boom-met-de-bittere-bladeren/

En uitgebreider in de aanbiedingsfolder op pagina 14 en 15. Plus op pagina 21, 24 en 25 als onderdeel van Lemniscaat laat de geschiedenis leven internationaal:

https://issuu.com/lemniscaatuitgeverij/docs/aanbieding_zomer2020_digitaal_def_pages

Ik voel me vereerd dat De Boom met de Bittere Bladeren is opgenomen in een lessuggestieboek van 20 historische jeugdboeken van Lemniscaat, met grote schrijvers zoals Thea Beckman, Jan Terlouw en Evert Hartman, maar ook prachtige hedendaagse schrijvers zoals Simone van der Vlugt en Joyce Pool.

Neem alvast een kijkje, en zeg het voort!

Wat doet een redacteur?

‘Is dat boek nou nog niet af?’ krijgt ik tegenwoordig weleens te horen. ‘Wat duurt dat láááng!’ ‘Nee,’ antwoord ik dan geduldig. ‘Het manuscript moet eerst nog geredigeerd worden.’ Weer zie ik vraagtekens in de ogen van mijn gesprekspartner. Ik had het manuscript toch al zo vaak aangepast. Een redacteur: wat doet die dan?

‘De hele boel omgooien,’ grapte ik tegen mijn tante. Maar in elke grap zit een kern van waarheid. Diep vanbinnen was ik bang dat mijn redacteur mijn met moeite opgebouwde huis grondig zou willen verbouwen.

Gelukkig viel dat mee. Na een zorgvuldige keuring bleef het huis overeind. Alleen het interieur had op sommige plekken een poetsbeurt of aanpassing nodig. Ik kreeg een lijst met vragen en tips.

Daar kon ik mee uit de voeten. Sterker nog: ik had er plezier in! Aangespoord door de – zeer rake – punten op mijn lijst, kwam ik op een idee dat het verhaal nog een extra verdieping gaf.

Ik was zelf verbaasd dat het zo goed werkte. Dat moest te maken hebben met de aanpak van mijn redacteur. ‘Wat doet een redacteur volgens jou?’  vroeg ik langs mijn neus weg bij een bespreking.

‘Een redacteur haalt alle obstakels weg die een ultieme leeservaring in de weg staan,’ zei ze. Dat was precies wat ik hoopte: een inhoudelijk antwoord. Geen woord over het belang van verkoopbaarheid waar ik van collega-schrijvers over had gehoord.

‘Wij verkopen op kwaliteit,’ legde de uitgever uit toen ik daar een opmerking over maakte. Kijk, daar word ik nou blij van. Het duurt misschien even, maar dan staat het verhaal ook als een huis.

We zijn nog altijd samen

Het corona-virus is in Rwanda aangekomen, appt Aimée op 15 maart. Wij hebben ook corona, app ik terug. Dit is onwerkelijk. Voor het eerst in onze twintigjarige vriendschap worden we op hetzelfde moment getroffen door dezelfde ramp.

Bijna hetzelfde moment, moet ik zeggen. Als Rwanda haar eerste corona-patiënt identificeert, heeft Nederland al 959 geïnfecteerde en 12 sterfgevallen. Bijeenkomsten voor meer dan honderd mensen zijn verboden. Social distancing is geïntroduceerd.

Rwanda pakt het meteen drastisch aan. Direct na de eerste infectie sluiten alle scholen en universiteiten. Leerlingen van internaten worden – na een coronatest – naar huis gestuurd. Kerken worden gesloten. Geen feesten meer, geen huwelijken.

Onder deze maatregelen blijven de Rwandezen bijzonder rustig. Bij ons is iedereen gehoorzaam, appt Aimée. We kunnen goed regels respecteren. De discipline – die er in Rwanda met de paplepel is ingegoten – lijkt nu goed van pas te komen.

Maar de schrik slaat Aimée toch om het hart. Vier nieuwe gevallen, meldt ze de dag na de uitbraak. Deze ziekte maakt me bang. In haar gezondheidscentrum traint ze mensen hoe met corona om te gaan. Zelf draagt ze een mondkapje en handschoenen.

Op 21 maart telt Rwanda 17 corona-patiënten. Ik vraag aan Aimée of dat besmettingen zijn of sterfgevallen. In Nederland zijn inmiddels 106 mensen overleden aan corona, bijna drieduizend zijn besmet.

Aouf! Bij jullie is het een catastrofe! schrijft Aimée als ze dit bericht leest. Bij ons tot nu toe geen doden. Weer iets dat we nog niet eerder hebben meegemaakt. Niet in Afrika is de ramp op dit moment het grootst, maar in Europa.

Dat neemt niet weg dat Rwanda de maatregelen worden aanscherpt. Geen motortaxi’s meer, geen bussen. De landsgrenzen worden gesloten. Zoveel mogelijk thuisblijven. Alleen mensen in vitale beroepen mogen nog werken. We zijn hier als in de oorlog, schrijft Aimée.

Wij ook, app ik terug, hoewel ik nog nooit een oorlog heb meegemaakt.[1] Gelukkig werkt de digitale communicatie wel. Wanneer ik Aimée bel, vertelt ze over de kranen met zeep die overal in Rwanda zijn geplaatst. Handen wassen is nu activiteit nummer één.

Als ik ophang, denk ik aan wat Rwandezen zeggen bij een afscheid voor langere tijd. Misschien is dat op deze situatie ook van toepassing. Ondanks – of juist dankzij – de maatregelen die onze bewegingsvrijheid beperken. We zijn nog altijd samen.

[1] Later dacht ik aan de toespraak van minister-president Rutte op 16 maart. Daarin zei hij: ‘Want de maatregelen die hier en elders worden getroffen, zijn ongekend voor landen in vredestijd.’

Diversiteit in kinderboeken

Diversiteit in kinderboeken is hot. Zo heeft Kinderboekenambassadeur Manon Sikkel van het bevorderen van diversiteit en inclusiviteit haar speerpunt gemaakt.[1] En pasgeleden gaf freelance journalist Bas Maliepaard[2] nog een lezing over dit onderwerp.

Natuurlijk was ik nieuwsgierig naar wat Bas Maliepaard te vertellen had. Per slot heb ik een boek geschreven vanuit een zeventienjarig, Afrikaans meisje. Maar omdat Bas zijn lezing gaf in het kader van de Nationale Voorleesdagen, richtte hij zich vooral op kinderboeken tot zes jaar.

Er is nog steeds niet genoeg diversiteit, was de strekking van zijn verhaal, hoewel bepaalde groepen bezig zijn met een inhaalslag. In Nederland heeft één op de zes kinderen een niet-westerse migratieachtergrond. In kinderboeken is dat slechts één op de veertien.[3]

Verder kan je onderscheid maken in de manier waarop deze kinderen in boeken voorkomen. Heten ze alleen Ahmed of Sevda en hebben ze een getinte huidskleur? Of gedragen ze zich ook als kinderen met een Marokkaanse- of Turkse achtergrond?

Dan zijn er nog de rollen als ‘vensters en spiegels’ die kinderboeken kunnen vervullen. Zwarte[4] kinderen hebben weinig spiegels, maar wel veel vensters, stelt Bas Maliepaard. Ze krijgen vooral een inkijkje in de blanke cultuur. Bij blanke kinderen is het andersom: zij hebben veel spiegels, maar weinig vensters.

Die opmerking zette me aan het denken. Hoe zit dit bij De Boom met de Bittere Bladeren? De lezer krijgt een inkijkje in een Afrikaanse cultuur, dus het venster is duidelijk. En de spiegel? De – veelal blanke – lezer zal zich niet herkennen in mijn zwarte hoofdpersoon. Toch heb ik het idee dat het verhaal spiegelt. Ik heb er zelfs op mijn homepage over geschreven.

Over deze ingrijpende erfenis wil ik een verhaal vertellen (…) ook omdat de gebeurtenissen in Rwanda ons een spiegel voorhouden. Met welke groep(en) identificeren wij ons? Hoe bepaalt dat onze blik op de wereld? En hoe kan je bij oplopende spanningen de mens in de ander blijven zien?

Voor blanke lezers fungeert dit verhaal dus niet letterlijk als spiegel (huidskleur), maar misschien wel figuurlijk (gedrag). Ik vermoed dat dit eerder voorkomt bij boeken die voor oudere kinderen zijn geschreven. Bovendien ziet mijn hoofdpersoon er niet alleen uit als een Afrikaans meisje, maar gedraagt ze zich ook zo.[5]

Hoe dan ook, De Boom met de Bittere Bladeren bevordert de diversiteit. Zeker als dat laatste overtuigt. Tenminste, dat hoop ik. Wat zouden Bas Maliepaard en Manon Sikkel hiervan zeggen?

[1] Kinderboekenambassadeur 2019-2021.
[2] Bas Maliepaard heeft zich gespecialiseerd in jeugdliteratuur. Hij schrijft hierover voor o.a. dagblad Trouw.
[3] https://kinderboekenambassadeur.nl
[4] Bas Maliepaard heeft de term ‘zwart’ gekozen, maar er kunnen ook andere termen worden gebruikt.
[5] Dit was misschien wel de grootste uitdaging bij het schrijven van deze roman.

 

Wie mag Afrika onderzoeken?

‘Africa, 60 Years of Independence,’ heette de conferentie van het Afrika Studiecentrum[1]. Deze titel prikkelde mijn nieuwsgierigheid. Hoe is het continent sindsdien veranderd? Als schrijver over Afrika wilde ik dat graag weten.

De folder die ik bij aankomst ontving, gaf al wat inzicht. Sinds 1960 zijn er veel meer mensen bijgekomen, vooral jonge mensen. Hoofdsteden zijn explosief gegroeid, er worden meer hectares bebouwd en het vee is in aantal toegekomen.

Helaas zijn veel landen onstabiel. Ons Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt[2] dat alleen in Marokko geen speciale veiligheidsrisico’s zijn. De overige landen krijgen het advies ‘wees voorzichtig, er zijn zekere veiligheidsrisico’s’, tot ‘niet naartoe reizen.’

Toch ging de conferentie niet over deze statistieken. Niet Afrika, maar de studie van Afrika stond centraal. Want de fondsen voor deze studie bevindt zich nog grotendeels in het Westen. Inclusief de opgeleide academici en de keuzes van wat wordt bestudeerd.

Wie mag Afrika onderzoeken, was een terugkerende vraag. Westerse wetenschappers, of Afrikaanse academici? En: Afrikastudies moeten gedekoloniseerd worden! Religie bijvoorbeeld, dient vanuit Afrika te worden bestudeerd.

Het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt, lijkt dezelfde als in de schrijverswereld. Gemarginaliseerde groepen / samenlevingen moeten hun eigen verhaal kunnen vertellen. Het wringt als westerse, dominante samenlevingen dat voor hen doen.

Mogen westerse academici dan nooit meer Afrika bestuderen? Een voorzichtig antwoord daarop lijkt in dezelfde richting als de schrijverswereld te worden gezocht. Westerse academici kunnen wel in Afrika onderzoek doen, maar dan op basis van een gelijkwaardige uitwisseling met de mensen die ze bestuderen. En bij dat onderzoek speelt taal een sleutelrol.

60 jaar na de onafhankelijkheid werkt de kolonisatie in Afrika dus nog steeds door. De worsteling daarover is actueler dan ooit. Het laatste woord is hier vast nog niet over gezegd.

[1] 30 januari 2020.
[2] December 2019.

Een eiland kopen

Wandelen. Dat wilde mijn Nederlandse vriendin in Rwanda doen. Daarom regelde Aimée toen ze zelf moest werken  een gids. Halverwege de twintig was hij, en zijn naam sprak hij uit als het Engelse ‘verlangen.’ Desire.

Dat Desire nog nooit eerder gids was geweest, mocht de pret niet drukken. Energiek liep hij voor ons uit. In het gebied waar we doorheen kwamen, was toerisme onbekend. Muzungu, muzungu! riepen kinderen op de kronkelpaadjes. Volwassenen beantwoordden verbluft onze begroetingen.

In de middag kwamen we door een dorpje. Aan de linkerkant stonden veel nieuwe huizen. De mensen op de weg keken ons wantrouwend aan. ‘Ze hebben die huizen van de overheid gekregen,’ zei Desire. ‘Eerst woonden ze op dat eiland daar.’ Hij wees naar een meer in de verte.

Toen hij onze vragende gezichten zag, vertelde hij verder. Amerikanen hadden het eiland gekocht. Ze wilden er een toeristenressort op bouwen. Dit strookte met wat we eerder hadden gehoord. Dat het Rwandese beleid erop gericht is om iedereen op het vasteland te huisvesten.[1]

Ik dacht aan de warme ontvangst op een ander eiland,[2] en voelde me ongemakkelijk. ‘Logisch dat ze achterdochtig naar ons kijken,’ vond mijn vriendin. Desire knikte. ‘Misschien zijn ze bang dat jullie ook een eiland willen kopen.’

‘Laten we dat doen,’ grapte ik toen we verder liepen. Ik had er een beetje genoeg van om aangekeken te worden op het gedrag van de blanken vóór mij. Mijn vriendin moest erom lachen. ‘Oké, maar dan mogen de mensen er wel blijven wonen.’

Toen ze bij terugkomst van ons voornemen hoorde, begon Aimée te stralen. ‘Ik zal eens kijken hoe de markt van de eiland ervoor staat,’ zei ze. Het duurde even voordat ze doorhad dat het een grapje was.

Maar was het eigenlijk wel een grapje? Misschien was het net als de klinkende naam van onze gids. Een verlangen.

[1] Dit is makkelijker in verband met onderwijs, gezondheidszorg etc.
[2] Zie de blogs Het eiland waar de oorlog nooit kwam, en de kerk is leuk.

Introvert / extravert

Het contrast tussen Congolezen en Rwandezen heeft me altijd verbaasd. Ze zijn buren, maar verschillen als dag en nacht. Ik wil niet generaliseren, natuurlijk. Groepen over één kam scheren kan gevaarlijk zijn. En toch… ik zie een patroon.

Neem het Kivu-meer. Vijf keer ben ik in Rwanda geweest, en al die keren bezocht ik het Rwandese grensplaatsje Gisenyi. Als je daar op het strand zit, kan je in de verderop aan het water de Democratische Republiek Congo zien liggen.

Regelmatig werd ik op het strand aangesproken. Door jongens, meisjes, jonge vrouwen of mannen. Op luide toon vroegen ze waar ik vandaan kwam, wat ik kwam doen, hoe ik heette. Ze wilden met me op de foto, raakten me aan, klikten met hun camera.

Als ik vroeg waar zij vandaan kwamen, was het antwoord altijd: Congo. Ze bezochten het Kivu-meer aan de Rwandese kant, want bij hen was het strand alleen toegankelijk voor villabewoners achter een hoge muur.

Zo extravert als deze Congolezen heb ik een Rwandees nog nooit gezien. Integendeel: Rwandezen bekijken me liever in stilte. Als ze praten, verheffen ze zelden hun stem. ‘Wil je nog een kopje thee?’ fluisterde een ober een keer alsof hij een geheim vertelde.

Contact maken met zulke introverte mensen is lastig. Na een tijdlang vruchteloos terugkijken, vond ik de sleutel in taal. Een beetje Kinyarwanda doet wonderen. Tijdens mijn laatste bezoek was mijn repertoire uitgegroeid tot een melodieus lied.

Ik: goedemiddag!
Rwandees: yegóo! (bevestiging)
Ik:  Hoe gaat het?
Rwandees: goed. (Korte stilte). Waar kom je vandaan?
Ik: ik ben een umuholandikazi (een Nederlandse vrouw)
Rwandees: yegóo! Waar ga je naartoe?
Ik: ik wandel gewoon wat. Waar ga jij naartoe?
Rwandees: ik ga naar plek X.
Ik: yegóo! Dank u wel.
Rwandees: dank u wel.

‘Die muzungu spreekt Kinyarwanda!’ riep zo’n gesprekspartner een keer verbaasd uit.

Over stereotypes gesproken: Aimée en ik hebben één Congolese vriend. Hij benadert zaken meestal indirect en spreekt bij voorkeur op zachte toon. Zo zie je maar, je moet het bovenstaande niet al te serieus nemen.

REIS MEE!

De Kinderboekenweek is net achter de rug. Dit jaar was het thema reis mee. Een hele happening, die ik als aankomend schrijver met belangstelling heb gevolgd.

Zo las ik dat jeugdboekenschrijfster Mina Witteman speciaal hiervoor uit de Verenigde Staten zou komen. Dat deed me plezier, want Mina had professionele feedback gegeven op een eerder stadium van mijn manuscript.

Mina’s missie was om over haar Boreas-boeken[1] te vertellen. Het eerste deel, Boreas en de Zeven Zeeën, bleek zelfs een kerntitel van de Kinderboekenweek. Dat betekent dat het op de lijst van voorbeeldboeken staat die zijn gekozen bij het thema.[2]

Misschien mag ik wel een keertje mee op schoolbezoek, droomde ik. Volgend jaar tijdens de Kinderboekenweek zou mijn boek immers in de winkels liggen. Bij zo’n ervaren schrijfster als Mina de kunst afkijken, leek me geweldig.

Toen ik die vraag voorlegde, bleek ik van harte welkom. Zo belandde ik op een donderdagmiddag op een basisschool. Mina zou haar presentatie twee keer geven: voor groep 5 & 6, en voor groep 7 & 8.

Het eerste dat me bij groep 5 & 6 opviel, was de gretigheid van de kinderen. Nog voordat de schrijfster een woord had gezegd, staken er al heel wat vingers in de lucht. ‘Jullie mogen je vragen voor straks bewaren,’ zei Mina, en ze begon haar verhaal.

We reisden mee op een zeilboot, de kinderen en ik. Want Boreas zeilt met zijn ouders de wereld rond. Mina vertelde hoe ze op dit idee was gekomen, over de perikelen van een zeereis en de bijzondere plekken die Boreas aandoet. Ze las een spannend stukje voor, toonde het filmpje van een fluittaal en liet ons een seinspel met vlaggen doen.

In groep 7 & 8 waren de kinderen stil en aandachtig. Na de presentatie kwamen hun vragen los. Ze bestreken een regenboog aan onderwerpen, van eten op zee en vreemde talen, tot de verdiensten van een jeugdboekenschrijver.

De vragen van een roodharige jongen waren bijzonder specifiek. Hij wilde weten of het schrijven van een tweede boek makkelijker gaat dan de eerste (ja), en of een schrijver inkomsten ontvangt als zijn boek in de bibliotheek wordt uitgeleend (ook ja).

Later die middag kwam de jongen met zijn oma langs in de boekhandel waar Mina aan het signeren was. ‘Had je die vragen van tevoren bedacht?’ vroeg ik nieuwsgierig. Hij ontkende. ‘Maar de juf vertelde dat je erg van lezen houdt,’ merkte ik op. Dat bleek inderdaad het geval. Ik deed een gooi. ‘Wil je later ook schrijver worden?’

‘Ja,’ zei de jongen, en hij lonkte naar de boekenstapel van Boreas. Ik zweeg getroffen. Hoe oud was hij? Een jaar of tien, elf misschien. Wat ging er in hem om? Had hij al een idee waarover hij wilde schrijven? Ik wilde doorvragen, maar de jongen keek zo verlangend naar Mina’s boeken dat ik het daarbij liet.

Na wat dralen, vertrokken de jongen en zijn oma, zonder boek. Het speet me dat de oma zoveel enthousiasme niet wilde belonen. Toch heb ik het idee dat het met deze jongen wel goed gaat komen.

Een schrijver laat zich niet weerhouden door magere verdiensten of zuinige oma’s. Een schrijver wil een verhaal vertellen op papier. En iets in deze roodharige jongen zei me: dát is precies wat ik ga doen.

[1] Een vierdelige serie uitgegeven door Ploegsma.
[2] De lijst is opgesteld door het CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek).

Blog vijftig

In de winter van 2017 volgde ik een workshop van de SCBWI[1] over sociale media voor schrijvers en illustratoren. Daar leerde ik dat elke kunstenaar een website nodig heeft, en dat een blog bezoekers naar die site kan trekken.

Nu schrijf ik alweer mijn vijftigste blog. Het leek me aardig om hier een moment bij stil te staan. Hoe zijn de website en blog me bevallen? En kunnen anderen hier wat van opsteken?

‘Alles is goed,’ zei de workshopleider toen ik vroeg waar mijn blogs dan over moesten gaan. Die wereld aan mogelijkheden nam ik mee naar huis. Daar kwam ik erachter dat ik – om een hele serie blogs te schrijven – het onderwerp moest vinden waar ik hartstochtelijk over wilde vertellen.

Na een jaar kwam ik op het idee om over het ontwikkelingsproces van mijn roman te bloggen. Ik had diverse (om)wegen bewandeld, interessante ontmoetingen gehad, obstakels overwonnen…

Uit de losse pols maakte ik een lijst met onderwerpen. Toen die meteen dertig items telde, wist ik dat ik beet had. Dat werd onderstreept door het beeldmateriaal, waarvan ik al veel in huis bleek te hebben.

Het maken van mijn eigen website was een feest[2]. Voor het eerst kon ik laten zien waar ik mee bezig was. Alleen al het bestaan van de website maakte dat ik mijzelf als schrijver (nog) serieuzer begon te nemen.

Er waren meer voordelen. Met de blogs – waar ik verrassend veel plezier in had – sleep ik mijn pen. Ik ontving reacties van lezers, creëerde een verzameling korte verhalen, bouwde een groep volgers op.

Deze pluspunten had ik kunnen voorzien. Dat de website me ook hielp bij schrijverskeuzes, was onverwacht. Een andere invalshoek op mijn verhaal? Een schrijversnaam? Promotiefoto? Mijn homepage wist raad.

Goed; het kost een beetje moeite, de nodige tijd en een paar centen. Maar dan heb je ook wat.

p.s.: Wil je ook leren hoe een blog en /of serie blogs te schrijven? Stuur dan een mailtje naar ruthericaschrijft@gmail.com 

[1] Deze workshop werd gegeven door de Regional Illustrator Coordinator Ozge Tigli.
[2] Voor WordPress is enige technische assistentie wel handig.

Energietransitie

Hulpjes in de huishouding: je vindt ze in veel Afrikaanse landen. Ze maken schoon, doen de was, maar vooral: ze koken. In Rwanda noemen ze zo iemand een boyaise. De Franse, vrouwelijke vorm van het Engelse woord ‘jongen.’

Zodra ze het zich kunnen veroorloven, nemen Rwandezen een boyaise. Zelfs minder welgestelde mensen hebben er doorgaans een. ‘Iedereen heeft zijn eigen koninkrijk,’ zei Aimée toen ik me daar tijdens mijn eerste bezoek in 2004 over verbaasde.

De naam dekt de lading, want een boy-aise kan zowel een jongen als een meisje zijn. Een vrouw ook, maar onder geen beding een man. Jongens mogen best koken, maar zodra ze trouwen (en daarmee een man worden), moeten ze daar acuut mee stoppen.

Ook Aimée heeft toen ze wat geld had een boyaise in dienst genomen. Ik voel me altijd wat ongemakkelijk als ik zo’n meisje op houtskool voor me zie koken, maar Aimée ziet het probleem niet. ‘Het is gewoon een baan net als zoveel andere,’ legt ze uit.

Ze heeft gelijk: het is werk. Zonder machines kost een huishouden veel tijd. Wassen doe je in Rwanda met de hand. Koken doe je met hout of houtskool. En of je nou op drie stenen kookt (hout), op kleine imbabura of een stenen fornuis (houtskool), snel gaat het nooit.

Tot voor kort. Want nu is er de gasbrander. Een groot kampeertoestel met één pit. Een tijdje geleden heeft Aimée er een aangeschaft. Het koken gaat ineens zo vlug, dat ze haar boyaise heeft ontslagen.

Vooralsnog is Aimée één van de weinige die – net als Nederland vanaf 1826 – is overgeschakeld op gas. Volgens haar hebben in Rwanda vooral intellectuelen en mensen met een vaste baan hierin interesse.

Alleen waar de Rwandese elite deze nieuwe manier van koken omarmt, doen wij juist hartstochtelijk ons best om er weer vanaf te komen.

(On)gehoorzaam

Als je ze zo achter elkaar ziet staan, ligt de conclusie voor de hand: niemand is zo gedisciplineerd als de Rwandezen. Ze staan ordelijk in de rij nog voordat de bus in zicht komt. Zeker in vergelijking met andere Afrikaanse landen is dit opmerkelijk.

Ben je van je verbazing bekomen, dan lijkt dit fenomeen wel te verklaren. Het land wordt geleid door een voormalig militair. Alles is strak georganiseerd, van overheidsniveau tot in de wijk. Gehoorzaamheid staat hoog aangeschreven, dus iedereen is bien discipliné.

Zo dacht ik tot het eerste incident met de minbus. Zonder duidelijke reden minderde onze bus vaart en sprong de convoyeur[1] naar buiten. Terwijl het hulpje achter ons aan begon te draven, trok de minibus op. Een kleine vijfhonderd meter later voegde hij zich weer bij ons.

‘Een politiecontrole,’ zei Aimée toen ik vroeg wat dit te betekenen had. Pas toen viel het kwartje. De regel was één stoel per passagier, maar de convoyeur hing steeds ongemakkelijk bij iemand op schoot. Eenmaal hierop geattendeerd, zag ik deze scène in verschillende variaties terugkomen.

Als ik nu Rwandezen in de rij zie staan, trek ik niet meer zo snel een conclusie. Gehoorzaam? Op het oog wel. Maar wat speelt er zich af in hun hoofd? En wat gebeurt er als je even de andere kant op kijkt?

[1] Een convoyeur haalt de ritprijs op bij passagiers.

De kerk is leuk!

Een van de dingen die ik in mijn manuscript heb aangepast, is het idee dat Rwandese jongeren hebben over de kerk. Tijdens mijn laatste bezoek aan Rwanda heb ik bij zowel meisjes als jongens navraag gedaan. Allemaal vonden ze de kerk leuk.

Niet iedereen was enthousiast om dezelfde reden. ‘Om het dansen,’ zei de een, ‘om de muziek,’ zei een tweede. En weer een ander zei: ‘omdat ze mensen helpen en samen bidden.’

Bij de kerstnachtmis en nieuwjaarsmis heb ik het live gezien: jongeren die actief meedoen in de katholieke dienst. Jonge meisjes dansten met sierlijke bewegingen in witte jurkjes. Na afloop deinden groepen jongeren mee met het koor.

Behalve deze intermezzo’s vond ik zelf de kerk nogal saai. De eindeloze preken kon ik niet verstaan, het Lichaam van Jezus mocht ik niet ontvangen,[1] en in het koor waren de vrouwen zo dominant dat er van meerstemmigheid – waar ik gek op ben – geen sprake was.

Tot ik bij de Zevendedagadventisten kwam. Dat was op het eiland waar de oorlog nooit is gekomen[2]. Het jongerenkoor dat ons verwelkomde, raakte bij mij een diepe snaar. Hun meerstemmige liederen klonken als de zwarte muziek uit Zuid-Afrika. Vooral de lage mannenstemmen vond ik prachtig.

En deze dienst was allesbehalve saai. Verschillende sprekers wisselden elkaar af. De kerkgangers deden actief mee. Een van hen corrigeerde zelfs de voorganger, die dat zonder probleem accepteerde. Een paar keer richtte een spreker zich in zijn beste Engels tot ons.[3]

Wij op onze beurt mochten over onszelf vertellen. Even later werd een liedboek in onze handen gedrukt en zongen we zo goed mogelijk mee. Tussen de bedrijven door barstte het jongerenkoor uit in swingende, meerstemmige songs. Als afsluiting kwam een oude vrouw voor ons bidden. Van het Kinyarwanda verstond ik weinig, maar haar toon zei me genoeg. We hoorden erbij.

Misschien is dat wat Rwandese jongeren in de kerk aanspreekt. Ik ben in elk geval om. De kerk is leuk! Als ik nog eens naar Rwanda ga, is mijn eerste zaterdag voor de Zevendedagadventisten.

[1] Omdat ik niet ben gedoopt.
[2] Zie blog Het eiland waar de oorlog nooit kwam.
[3] De tweede keer dat ik op dit eiland kwam, had ik een vriendin uit Nederland meegenomen.

Vriendschap tussen zwart en wit

Als je voor het eerst naar Sub Sahara Afrika gaat,[1] kan het als een schok komen: je bent een blanke. ‘Muzungu, muzungu!’ roepen de kinderen in Rwanda. Je steekt scherp af tegen de zee van donkere mensen om je heen. Of je het wilt of niet: je wordt beoordeeld op je bleke huid.

Hoe er naar je gekeken wordt, hangt af van de rol die de blanken vóór jou hebben gespeeld. In het geval van Rwanda: kolonisator, missionaris, ontwikkelingswerker, militair, toerist. Op z’n minst discutabel, als je naar bepaalde van deze groepen kijkt.

Misschien is de lijst nog langer, maar de categorie vriend(in) komt er niet in voor. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de meeste Rwandezen mijn relatie tot Aimée niet goed konden plaatsen.

‘Wat eet een muzungu?’ fluisterden Aimées collega’s toen ik haar werk bezocht. ‘Kan je vriendin ons voedsel wel verteren?’ En toen ik een foto van mijn neefje en nichtje aan hun Nederlandse ontbijttafel liet zien: ‘Wat eten die wazungu-kinderen[2] daar?’

Pijnlijk werd het, toen een paar collega’s Aimée apart nam. ‘Waar is die vriendschap met een muzungu op gebaseerd?’ vroegen ze. Zowel Aimée als ik hoorden de onuitgesproken aanname: daar steekt iets achter.

Op dit punt zouden Rwandezen iets opsteken van hun buurland Oeganda. Toen ik daar met Aimée op een terrasje zat, werden we benaderd door een jonge man. Hij drukte ons een folder in de hand. Of we de volgende avond vrij waren, wilde hij weten.

‘Dan zijn we alweer in Rwanda,’ antwoordde ik, denkend dat ik daarmee een reclameactie had afgewimpeld.

‘Jammer,’ zei de man. ‘Dit is echt iets voor jullie.’

Ik wierp een blik op de folder. Party Black & White, stond erop. Kijk, dat vind ik nou een positieve benadering. De vriendschap tussen zwart en wit als reden voor een feest.

[1] Als autochtone, blanke westerling.
[2] Wazungu betekent in het Rwandees ‘blanken’ (meervoud).

Discipline versus keuzestress

In hoeverre lijken Rwandese jongeren op westerse jongeren? Die vraag kwam op bij de ontwikkeling van mijn roman. Ik zocht verbanden, zodat Nederlandse lezers zich zouden kunnen verplaatsen in mijn Rwandese hoofdpersoon.

Basisemoties zijn overal hetzelfde. Verliefdheid, vriendschap, jaloezie, het verlangen om erbij te horen. Maar de setting verschilt. Waar Nederlandse jongeren veel keuzevrijheid hebben, zijn Rwandese jongeren onderworpen aan een ijzeren discipline.

Zo gaan veel jongeren in Rwanda naar een internaat. Die is van de overheid of particulier. Op de eerste kom je met hoge punten,[1] voor de tweede moet je flink betalen. Daarbinnen is nog onderscheid tussen openbaar en religieus. Religieuze internaten worden geleid door broeders (voor jongens) of zusters (voor meisjes).

Op een internaat is alles bien discipliné. Dat heb ik diverse Rwandese ouders horen zeggen. En inderdaad; er heerst een militaire discipline. Op het openbare overheidsinternaat van Giselle gaat een doordeweekse dag als volgt:

5.00 uur: douche; slaapzaal wordt afgesloten. 5.30 uur: ontbijt van maïspap. 6.00 uur: presentatie leerlingen op het plein. 6.30 uur: klas schoonmaken. 8.00 uur: studeren. 10.30 uur: pauze. 11.00 uur: studeren. 12.30 uur: lunch. 13.45 uur: relaxen. 14.00 uur: studeren. 16.00 uur: vrij tijd; slaapzaal gaat open. 18.00 uur: lesstof herhalen. 19.30 uur: avondeten. Daarna: bedtijd.

Giselle vindt het vroege opstaan lastig en het eten uit de gaarkeuken niet lekker. Daarbij heeft ze er moeite mee dat de overheid – op basis van je cijferlijst – jouw specialisatie kiest. ‘Alles wordt voor je bepaald,’ fluistert het zeventienjarige meisje. ‘Soms lijkt het net een gevangenis.’

Of het op de middelbare school bij ons ook zo is, informeert ze bedeesd. Als ik haar over Nederland vertel, spert ze haar ogen open. ‘Echt waar? Krijgen die kinderen dan geen problemen?’

‘Soms wel’, antwoord ik eerlijk. ‘Veel keuzevrijheid kan ook verwarrend zijn.’ Giselle knikt alsof ze zich er iets bij kan voorstellen.

Dat een Rwandees meisje zich in een Nederlandse leeftijdgenoot kan verplaatsen, is hoopgevend. Dan moet het omgekeerde ook mogelijk zijn.

[1] Een hoge score op het eindexamen van je lagere school.

Reizen in een strip

‘Hé, daar heb ik vroeger veel van de wereld van opgestoken!’ Mijn buurman, die met zijn zoontje op de gang een Suske en Wiske zit te lezen, kijkt me glazig aan.

‘Echt? Dat zijn toch allemaal fantasieverhalen?’ Aarzelend schud ik mijn hoofd. In mijn herinnering gaan Suske en Wiske naar allerlei landen. ‘Wacht,’ zeg ik, ‘op de kast heb ik er nog een paar liggen.’

Met een stapeltje oude strips loop ik terug naar buurman Matthijs. En verdraaid: van de negen Suske en Wiske’s uit mijn nostalgische collectie, spelen zich zes af in verre landen.

In Turkije (Jeromba de Griek), Tibet (De Brullende Berg), de Afrikaanse kolonie “Dongo” (De Vliegende Aap), Libanon (Sjeik El Rojenbiet), Filippijnen en Hong Kong (De Sissende Sampan) en Nepal (De Parel in de Lotusbloem).

Matthijs is overtuigd. ‘Willen jullie ze lezen?’ vraag ik als ik de ogen van zijn zoontje Julian zie glimmen. Dat hoef ik geen twee keer te vragen. De strips wisselen tijdelijk van huis.

‘Misschien gaat Julian later ook reizen,’ zegt mijn buurman als hij ze een maand later terug brengt. Aangespoord door deze opmerking, blader ik de strips nog eens door.

In de Afrikaanse kolonie “Dongo”,[1] worden de hoofdpersonen in een ketel boven het vuur gekookt door pikzwarte mensen met reusachtige lippen. Ze dansen om de kookpot en zwaaien met speren, messen en knotsen. Dit kan nu echt niet meer; strip nummer 87 moet lang geleden zijn gemaakt.

Strip nummer 214, De Parel in de Lotusbloem, lijkt de toets des tijds beter te kunnen doorstaan. Op het voorblad staat een citaat van Kalu Rinpoche[2], en in het verhaal speelt de Dalai Lama een rol.

Als kind keek ik niet met zulke ogen. De strips prikkelden alleen mijn nieuwsgierigheid naar de wereld. Het is vast niet voor niks dat ik uit de honderden Suske en Wiske’s voornamelijk die uit verre landen heb bewaard.

Wat mijn buurjongen zal kiezen, weet ik niet. Een beetje nieuwsgierig ben ik wel. Zal hij over pakweg vijfendertig jaar ook zijn selectie Suske en Wiske’s herontdekken? En welk patroon zal hij dan zien?

[1] Duidelijk geïnspireerd op de Belgische kolonie Congo.
[2] Kalu Rinpoche (1905- 1989) was een Boeddhistische lama, meditatiemeester en onderwijzer. Hij was een van de eerste Tibetaanse leraren die les gaf in het Westen.

Het eiland waar de oorlog nooit kwam

‘Ga je mee naar een eiland?’ vroeg Aimée toen ik net een weekje in Rwanda was. Haar werkbezoek aan de lokale gemeenschap was al een tijd daarvoor ingepland. Ik rook het avontuur en zei ‘ja.’

De oversteek was romantisch. Een houten bootje, zwemvesten, een zwoele bries en een prachtig uitzicht over het meer.

Op het eiland werden we opgevangen door een handvol bewoners. Een steile klim in de brandende zon bracht ons naar een gemeenschapshuis. Terwijl Aimée voorlichting gaf aan de vrouwen en kinderen, nam ik de omgeving goed in me op.

Veel groen en rotsen. Aan beide kanten van het gemeenschapshuis glinsterde het water in de diepte. Ruim driehonderdvijftig mensen leefden hier, had Aimée me verteld. Eén lagere school, één kerk.

Maar het was niet de idyllische schoonheid die me trof. Er hing iets ongrijpbaars in de lucht. Iets aangenaams, dat me een prettig gevoel bezorgde.

‘Hoe was het hier eigenlijk tijdens de oorlog?’ dacht ik hardop toen we een rondleiding over het eiland kregen. ‘Hé,’ antwoordde Aimée verrast. ‘Dat vroeg ik me ook af toen ik hier voor de eerste keer kwam.’

Wat bleek? De oorlog was nooit op dit eiland aangekomen. Er woonden alleen mensen van één groep, dus was er geen conflict. Noch de Hutu-extremisten, noch de Tutsi-rebellen hadden tijdens de genocide de oversteek gemaakt.

Juist door het gebrek aan onderhuidse spanning, ontdekte ik dat ik die op het vasteland wel had gevoeld. Bij het gemeenschapshuis voelde ik me zo op mijn gemak, dat ik naast een vrouw in het gras neerplofte. Terwijl ik haar hielp met boontjes doppen, werd ik ondervraagd door nieuwsgierige vrouwen en giechelende kinderen.

‘Je moet wel veel van ons houden,’ zeiden de eilandbewoners tegen Aimée, ‘want je hebt een muzungu[1] voor ons meegebracht!’ Ze waren bijzonder verguld met de blanke die – zo bleek uit de boontjes – speciaal voor hen was gekomen.[2]

Een kleine delegatie begeleidde ons aan het einde van de middag naar de boot. De vrouwen omhelsden ons, de mannen gaven een stevige hand. Ze zwaaiden toen we koers zetten naar de overkant.

Halverwege het meer keek ik nog een keer om. Onze uitzwaaiers stonden er nog steeds, stil starend in de verte. Met een brok in mijn keel keek ik ze na. Zo had het overal in Rwanda kunnen zijn, als de oorlog nooit was gekomen.

[1] Muzungu is het Rwandese woord voor ‘blanke’.
[2] Incidenteel kwamen er toeristen om het eiland te bewonderen, maar die zochten bijna nooit contact met de bewoners.

Uitgever gevonden!

Ik heb een uitgever gevonden. En niet de minste: Lemniscaat. Vorige week hebben we het contract van De Boom met de Bittere Bladeren getekend.

Lemniscaat was mijn eerste keuze. Ik heb sterk het gevoel dat dit verhaal bij deze uitgever past. Daarom ben ik meer dan blij dat juist zij mijn verhaal willen publiceren.

Over een tijdje kan ik De Boom met de Bittere Bladeren dus met jullie delen. Ik laat het weten als het zover is.