BLOG

Matroesjka-mandjes

In een verhaal moet iets gebeuren. De hoofdpersoon wil iets en krijgt onderweg te maken met de nodige weerstand. Zo ontstaat een spanningsboog. Als de wens van de hoofdpersoon gelijk vervuld zou worden, zou het verhaal snel afgelopen zijn. Het meisje wil een ijsje, en ze krijgt het. The end. Daar is natuurlijk weinig aan.

Mijn hoofdpersoon heet Maridadi. En Maridadi wil een beter leven. Dat stuwt haar vooruit. De weerstand zorgt voor spanning, maar om de spanning erin te houden, zal ik die hier niet onthullen. Wel dat er binnen die grote structuur weer kleinere willen en weerstanden zitten. Kortere spanningsbogen die kleur geven aan het verhaal.

Tijdens het schrijven van De Boom met de Bittere Bladeren kwamen die kortere spanningsbogen naar voren als vragen & antwoorden. Maridadi stelt een vraag, en in het antwoord op die vraagt vindt ze een nieuwe vraag. Een vraag in een vraag in een vraag. Eigenlijk net zoiets als de matroesjka-poppen. Als je de bovenste optilt, zit daarin weer een nieuwe pop.

Matroesjka mandjes

Geinig, een matroesjka-structuur bij een Rwandees verhaal, dacht ik. Maar wat blijkt: in Rwanda hebben ze ook zoiets. Dat las ik in de roman Duizend Heuvels van Koen Peeters. In dit Rwandese mandje (een inkondwe of uduseke) zit weer zo’n mandje, en daarin weer zo’n mandje. De vraag is nu: zit in mijn kleinste verhalenmandje alleen een antwoord? Of gaat het eindeloos door?

Opnieuw beginnen

Kaart Rwanda

Dit kaartenbakje moet voor 2006 zijn gemaakt. Toen had Rwanda namelijk nog twaalf provincies. Op 1 januari van dat jaar werden deze teruggebracht tot vijf: Noord, Oost, Zuid, West en Kigali. Lekker overzichtelijk voor een land dat kleiner is dan België.

Op hetzelfde moment kregen ook veel Rwandese steden een andere naam. Zo werd Ruhengeri omgedoopt tot Musanze en werd Butare officieel Huye. Het is niet toevallig dat deze veranderingen zijn doorgevoerd na de genocide. Net als de nieuwe vlag, het nieuwe volkslied, de nieuwe nationale taal (Engels in plaats van Frans) en het afschaffen van de etnische groepen.

Rwanda 5 provincies

Opnieuw beginnen. Dat wilden een aantal vrienden van mijn ouders ook. Van de één op de andere dag veranderde Lisa haar naam in Elisabeth, werd Deborah Dora, en mochten we Annie alleen nog maar met Florence aanspreken.

Voor de omgeving was dat niet altijd even makkelijk. De stap van Annie naar Florence vond ik bijvoorbeeld reusachtig. Zeker omdat ik deze vrouw al mijn halve leven als een echte Annie kende. Ik vroeg me af: als ik al moeite heb met één voornaam, hoe zijn al die veranderingen in Rwanda dan uitgepakt? En hoe is dat voor Rwandese jongeren die in deze post genocide samenleving opgroeien?

Deze vragen vormen de inspiratiebron van mijn Young Adult roman over Rwanda. Over Florence kan ik alvast zeggen: de doorzetter wint. Omdat zij doorging met die naam, deden wij dat ook. Zo vertelde een gezamenlijke vriendin: “Gisteren zag ik Annie in de stad. En met dat ik dacht – hé, daar heb je Annie – zei mijn mond: “dag Florence!”

 

 

 

Honderd gorilla’s

Honderd gorilla’s hadden we besteld. Een buitenkansje voor de enige Rwandese pygmee die in Nederland woonde. Het was even na de eeuwwisseling. Met deze order probeerde de organisatie waar ik voor werkte de pygmeeën in Rwanda te ondersteunen. Geen overbodige luxe voor een groep die na de genocide is omgedoopt tot abasigajwe inyuma n’amateka. Dat wil zeggen: mensen die als gevolg van hun geschiedenis achter zijn in hun ontwikkeling.

Helaas bleken de gorilla’s niet bestand tegen de vliegreis. In een veelvoud van honderd stukjes kwamen ze aan op ons kantoor. Misschien was dat omdat ze van klei waren gemaakt en in de oven afgebakken. Van doorverkopen kwam in elk geval niet veel terecht. Wel mocht ik er eentje uitzoeken. Ik vond dit nog redelijk gave exemplaar.

Dat berggorilla’s een van de belangrijkste attracties van Rwanda zijn, merkte ik ook tijdens mijn eerste bezoek in 2004. Sommige Rwandezen vroegen of ik voor de gorilla’s was gekomen en of ik al een genocideherdenkingsplaats had bezocht.

“Nee, ik kom voor de mensen,” legde ik uit. Een gorilla-permit voor een buitenlander was toen al ruim 500 dollar; van dat geld kon mijn Rwandese vriendin Aimée een hele tijd studeren. “Voor de lévende mensen,” benadrukte ik als antwoord op de tweede vraag. De herdenkingsplaatsen gaven me een ongemakkelijk gevoel. Alsof ik als een soort ramptoerist zou gaan kijken naar wat er in Aimées land was gebeurd.

Rwandese vrouwen 2

Later, toen ik fictieve verhalen over Rwanda begon te schrijven, probeerde ik weer met een boog om de honderd inktzwarte bladzijden in hun geschiedenis heen te gaan. Ik oefende met het verhaal over de pluche beer Kleine Meneer, het verhaal over een stervende opa in de heuvels, het verhaal over een pubermeisje dat worstelt met een dominante vader. Maar het ging niet. Het onderwerp was gewoon te groot om onder tafel te schuiven. Er zat maar één ding op: het verhaal moest erover gaan.

 

Over peuters en poppen

Toen ik een peuter was, mocht ik van mijn moeder een pop uitzoeken. In de speelgoedwinkel waren tientallen westerse poppen, maar ik koos de enige niet-westerse: een donkere pop met kroeshaar. Ik was er blij mee en noemde haar Sacha.

In de tijd dat ik me met Afrika ging bezighouden, verwees mijn moeder hier soms naar. Ze zei hoe mijn keuze haar had verbaasd: ik had destijds nog nooit iemand met een donkere huidskleur gezien. De interesse in Afrika zat er blijkbaar al van jongs af aan in.

Eerst vond ik die keuze ook opmerkelijk, maar later begon ik te twijfelen. Dat gebeurde toen ik een westerse pop aan een Afrikaans kind overhandigde. De pop was een cadeau van een bevriend echtpaar in Nederland aan het dochtertje van mijn Rwandese vriendin.

Het meisje – toen drie – noemde de pop ‘baby’. En, zoals je nou eenmaal met baby’s doet, bond ze hem met een lap op haar rug en wiegde hem zachtjes lopend in slaap. ‘Stil, de baby slaapt al,’ zei ze bestraffend toen ik mijn stem iets te veel verhief. Over de huidskleur van de pop geen woord.

Op haar achtste, toen een Deens stel met een echte baby op bezoek kwam, noemde ze de huidkleur wel. ‘De baby is een muzungu (blanke)!’ riep ze opgewonden over de Skype. Ze vond het geweldig en wilde steeds met de baby spelen. En toen ze mijn pop Sacha over de Skype in beeld kreeg, vroeg ze meteen: ‘wat is dat?’

Achteraf is het misschien toch niet zo opmerkelijk dat ik als peuter mijn oog op Sacha liet vallen. Misschien koos ik gewoon de pop die ik het leukste vond, en had die toevallig een donkere huidskleur.

Spreek jij Afrikaans?

Spreek jij Afrikaans? Die vraag krijg ik weleens als ik vertel dat ik graag naar Afrika reis. En in de openbare bibliotheek staat de categorie “Afrika” rug aan rug naast de categorie “Zuid-Holland”. Ik betrap me erop dat ik er soms in mee ga: in het idee dat Afrika een land is. Maar het is natuurlijk niet waar.

Qua oppervlakte is Afrika het één na grootste werelddeel; alleen Azië is groter. In Afrika worden meer dan tweeduizend talen gesproken. Met 11% van de wereldbevolking en 30% van de talen, is het zelfs een van de taalrijkste continenten op aarde.

Jaren geleden kocht mijn Rwandese vriendin Aimée deze kaart van Afrika voor me. Hij hing wekenlang aan haar lemen muur in Kigali in afwachting van mijn komst. Toen ik tenslotte uit het vliegtuig stapte, was ze er zelf aan gehecht geraakt. ‘Wil je hem wel hebben?’ vroeg ze. En: ‘past hij wel in je rugzak?’

Uiteindelijk was Aimées liefde voor mij groter dan die voor de kaart. Ruimhartig stond ze hem af.  Ik vind hem prachtig in zijn imperfectie. Die breuklijn in het hout, dat ene land dat dubbel is genoemd waardoor een ander land ontbreekt. Sindsdien hangt hij bij mij thuis aan de muur. Een kleurrijke herinnering aan die ene missie. Laten zien dat Afrika geen land is, maar een duizelingwekkend groot, divers en rijk continent.